1Aan deze strophe ontbreken wederom een paar verzen, die ik heb getracht bij gissing er in te voegen. Doch niet alleen zijn twee verzen weggevallen, ook de overige verzen zijn min of meer bedorven. In de eerste 4 regels hebben wij de rijmen -
oeven en -
anc. Nu luidt vs. 58 in het Hs.:
Die jonghelinc quam dair hi hem vant.
Daar vs. 60 ongetwijfeld door den afschrijver
niet is verhaspeld, zouden wij een onzuiver rijm van -
ant en -
anc hebben. Mocht dit al geen bezwaar opleveren, het vers hoort hier niet in den zin, en is door den afschrijver uit de vorige strophe bij vergissing nogmaals hier geplaatst. In de vorige strophe komt de jongeling ter plaatse waar hij de gewaande vrouw
vindt. Hij spreekt haar een hartig woordje toe, gaat nu van woorden tot daden over, en
zwaait zijn knuppel om er den waard mede te tuchtigen.
Vs. 61 eischt ook weder een rijm op -
anc en is kennelijk bedorven. Ook ongeveer op deze wijze zou het vs. te herstellen zijn:
Die waert hat der slaech een goet ontfanc.
De twee ontbrekende regels moeten blijkens het laatste vs. iets dergelijks hebben bevat als door mij aan den tekst is toegevoegd.