1Dit hoogstmerkwaardig, doch, helaas! zeer bedorven gedicht heeft oorspronkelijk bestaan uit 15 - zoo niet meer - strophen van 16 verzen, waarvan de eerste, twaalf op hetzelfde rijm eindigen, terwijl de daarop volgende vier verzen ook weder denzelfden rijmklank vertoonen. In het Hs. heeft het slechts 229 verzen, zoodat aan de vijftien aanwezige strophen elf verzen ontbreken. En door de ontbrekende verzen, èn door den blijkbaar zeer bedorven tekst blijft dan ook veel in dit gedicht onverklaarbaar. Ondanks de vereende pogingen van mijn vriend de vries en mij zelven, is het ons dan ook niet gelukt de duisternis, die op vele plaatsen heerscht, te verdrijven. Met vs. 88 moesten wij herhaaldelijk uitroepen:
Nu proeft hoe dit te samen sluut!
2In den tekst vindt men hier het woord aerden, terwijl een rijmwoord op -ouwen vereischt wordt. Men leze dus: ouwen.
3De eerste woorden van dit vers zijn kennelijk bedorven. Blijkens het volgende vers moet hier reeds over de kaerls gesproken zijn. Schuilt misschien in kunst en eene corruptie van knuust(ich)? Hoewel we niet zullen wagen den tekst te herstellen, mag de gissing hier toch plaats vinden, dat er iets kan hebben gestaan als b.v.: Een knuustich kaerl, of iets dergelijks. Dan ten minste levert de zin geen bezwaar op.
22. Hs. doer. - 36. Hs. coelstronten.
1De woorden den kamerkijn zijn stellig bedorven. Althans kamerkijn is mij nergens als de benaming van een dier voorgekomen. Hoogstwaarschijnlijk leze men: die lammerkijn.
2Van de vier laatste regels der strophe ontbreekt één vs., dat waarschijnlijk tusschen vs. 29 en 31 is weggevallen.
3In deze strophe ontbreekt één vers, dat waarschijnlijk tusschen vs. 38 en 40 zal hebben gestaan. In den ontbrekenden regel toch moet het hegin staan van den zin, die in vs. 40 wordt vervolgd, en moet van de kaerls melding worden gemaakt. Misschien kan men het ontbrekende op deze wijze aanvullen:
1In dezen regel schijnt het ww. te ontbreken, daar voer wel niet anders kan zijn dan het znw., in den zin van handelwijs. Misschien zal men moeten lezen:
2Het ontbrekende vers in deze strophe zal waarschijnlijk tusschen vs. 72 en 74 gestaan hebben, daar vs. 74. in hoegenaamd geen verband met het vorige staat. Het slaat er toch op als een tang op een varken.
1Waarschijnlijk zal men moeten lezen: gescopt, al heeft het Hs. duidelijk gestopt. Dergelijke verschrijvingen van t voor c, en omgekeerd, vindt men in dit stuk meer, als vs. 84 drinc voor drint, en vs. 136 scelde voor stelde. Zie Gloss. op Scoppen.
2Daar in deze strophe slechts tien gelijke rijmen voorkomen, moeten er twee verzen ontbreken, die waarschijnlijk in het laatste gedeelte zijn weggevallen. Tusschen vs. 105 en 106 toch schijnt iets te ontbreken, daär vs. 105 geen gezonden zin oplevert. Verg. het Gloss. op Noppen.
112. Hs. die die b. - 113. Hs. drinc. - 127. Hs. Wat. - 128. Hs. overdadich vertellen. - 131. Hs. tellen.
1Daar de eerste twaalf verzen dezer strophe op -ilt of -elt eindigen, zal ook wel in vs. 111 en 112 moeten gelezen worden: vergilt - bilt.
2Ook deze regel schijnt mij weder bedorven toe. Heeft onghelt kan niet het perf. zijn van onghelden (ontghelden), daar dit ww. sterk wordt gebogen en het deelw. ontgouden zou moeten zijn. Schuilt er werkelijk het ww. on(t)ghelden in, dan zal men om een gezonden zin te verkrijgen moeten lezen:
Soe dattet sijn huusvrouwe al ontghelt.
Of is onghelt een znw., in den zin van onkosten? Dan zal men wel moeten lezen met eene kleine verandering:
Soe dattet sijnre huusvrouwen gheeft onghelt.
Zie het Gloss. op Onghelt.
3Ook hier is weder een vers uitgevallen, waarschijnlijk tusschen vs. 123 en 125.
1Over deze en de even onverstaanbare plaats op vs. 154 zie men het Gloss.
2Terwijl de eerste twaalf verzen op -ende moeten uitgaan, vindt men hier het onzuiver rijm op -elden, dat wel door een ander zal moeten worden vervangen. Vertellen levert hier bovendien geen zin. Het zou niet helpen, zoo het slachtoffer de waarheid vertelde, of anders zeide dan hij meende; maar zoo hij ze loochende. De bedoeling toch moet zijn: Wat helpt bet dat ik u de waarheid zou loochenen of verzwijgen? Waarschijnlijk leze men dus: verkende.
1In deze strophe, die voor een goed deel onverstaanbaar is, zijn van de twaalfregelige rijmen weder twee verzen weggevallen. Waarschijnlijk ontbreekt één regel tusschen vs. 178 en 179, de tweede tusschen vs. 180 en 181. Laatstgenoemde regel is mij geheel en al onverstaanbaar. Na so - so, hoe -des te, verwacht men twee comparatieven, die misschien in het schromelijk bedorven vers kunnen verscholen zijn. Als een loutere gissing geef ik de volgende lezing:
Soe meer hi eerst, so slaet hi meer
Zie Gloss. op Eersen.
2De lezing vorderen in het Hs. is bedorven, daar de klemtoon opo -éren moet vallen. Men leze: bordéren, en de zin is gezond. Tusschen b en v is in ons Hs. vaak weinig onderscheid.
1Aldus duidelijk het Hs. Wat er van te maken, is mij een raadsel, te meer daar er een vers aan de strophe ontbreekt, dat waarschijnlijk na dit vers is weggevallen.
2Ook dit vers is mij volkomen onverstaanbaar. Moet men misschien de twee laatste woorden anders afdeelen en niet: eenre vier, maar: een revier lezen? En zon dan de regel misschien aldus moeten luiden:
Recht als een hont in een revier?
1Van de laatste vier rijmregels is weder een vers weggevallen.