1Vroeger uitgegeven door zarncke in seb. brant'sNarrenschiff, Einl. lxiii-lxvii (Leipzig, Wigand 1854), door den Heer buddingh in Een paar bladen uit de Gesch. der Kerkherv. (1855) 63-71, en laatstelijk door Dr. van vloten in den Taalen Letterb. 1, 90-93.
2De aanhef van dit gedicht, dat in den vorm eener oorkonde geschreven is, ontbreekt ongelukkig, en daardoor ook waarschijnlijk de sleutel ter verklaring. De ontbrekende verzen toch zullen wel den naam hebben bevat van den heer der Blauwe Scute in den gebruikelijken vorm bij oorkonden. Verg. de Inleiding.
3In een album uit de XVIIde eeuw op de Koninklijke Bibliotheek te 's Gravenhage komt eene merkwaardige afbeelding voor van de Blauwe Scute beladen met eenige Verloren Kinder. Het onderschrift luidt aldus:
Daer platbroeck speelman is, en stierman in de bane,
Daer sien hem de voghelen voer eenen huyben ane;
Ende al tiert syn gheselscap datse moghen sweeten,
1Hier evenals in vs. 73 is Hoert door mij in Voert veranderd. Zarnke meent dat bij de hoofdverdeeling van de in de Blauwe Scute behoorende personen (vs. 37, 87, 125, 135 en 161) steeds de aanhef met Voert wordt ingeleid, terwijl bij de onderverdeeling der Gheestlike heren (vs. 37-86) in vs. 51 en 73 die aanhef Hoert moet luiden, gelijk ook in het Hs. staat. Op beide plaatsen en in vs. 148 komt mij de verandering in Voert beter voor.
1Aan dit vers ontbreekt het ww., dat waarschijnlijk in guet verscholen is. Een afschrijver las misschien voor gaet - guet. Oorspronkelijk kan er b.v. gestaan hebben:
Of thaer tegaet mit groten hopen.
Thaer, het hunne, staat over tegen het in vs. 63 genoemde ander goet.
1In het Hs. rijmen vs. 149 en 150 niet. Dr. van vloten laat het vers bijna onveranderd, doch leest in plaats van driven - naem. Dit enkelvoud past echter volstrekt niet bij vs. 148, 150 en 151, waarin steeds een mv. gevonden wordt. Door mijne verandering blijft de zin dezelfde, terwijl het rijm is hersteld.
197. Hs. En. - 203. Hs. Dan hem. - 223. Hs. walt veel. - 225. Hs. dootsclach, toornre.
1Deze verzen zijn wederom door een afschrijver zoo gruwelijk bedorven, dat het zoo niet moeilijk is den zin op te maken, dan toch te bepalen wat de dichter geschreven heeft. In vs. 203 is vooreerst Dan in Die veranderd, dat wel geen nadere verdediging zal behoeven. Vs. 203 en 204 hebben twee gelijke rijmen, en daarvan moet zeker één veranderd worden. Voorts is in vs. 204 het woord wijsheit door een slaperigen afschrijver nog eens herhaald uit den vorigen regel. Men verkrijgt althans een gezonden zin, wanneer men leest:
1De volgende verzen zijn, ook tengevolge van het wegvallen van een regel, min verstaanbaar. Kan het ontbrekende vers misschien ook aldus hebben geluid:
Die hem niet te stelen saten?
Ik versta dan den zin aldus:
Onder degenen die wel worden opgenomen zijn zij, die onwillig doodslag hebben bedreven, of die voor levensbehoud strijden; òf de ruiters op 's heeren wegen, die geen beroep maken van stelen en niemand anders op hun tochten berooven dan òf die er tegen gewapend zijn, òf vijanden van den landsheer, wanneer deze op roof en rooven belust zijn, al zijn zij (nam. die vijanden van den landsheer) ook schouten of edelen, - ook deze worden in het gilde opgenomen.
De verandering in vs. 234 wijst zich dan van zelf aan.
2Ende is in dit vs. door mij veranderd in omme, d. i. voor, en daarmede wordt de zin gezond. Doch niet zoo het rijm: bezeghelt en omme ghélt. Misschien is hier aan een fout van den dichter te denken, die door het gezicht van het schijnbare rijm misschien is bedrogen geworden.