| Achemant, bnw., I, 4, bevallig, aanminnig, Ofr. achesmant. Zie Mnl. Wdb. 1, 11. |
| Achten, ww., - by ene dinc, VIII, 8, zich bekommeren, zich bekreunen, geven om iets. Zie Mnl. Wdb. 1, 14. |
| Achter, voorz. en bw., achter; als voorz., - lande, I, 744, door het land heen, overal in het land; als bijw., VIII, 99, achteraan. |
| Aefsch, bnw., VII, 96, verkeerd, dwars, hier in figuurlijke beteekenis van het karakter gezegd. Gewoonlijk in den zin van afwijkend, zijdelingsch, en vooral gebruikelijk in aefsche hant, manus inversa. Zie Rein. 2, 7071; Wal. 2087; Limb. 2, 268, en verg. Ned. Wdb. 1, 14. |
| Aen, voorz., VII, 174, te, tot. |
| Aert, - rde, znw. vr., VI, 29, aard, geaardheid, natuur, inborst. Zie Mnl. Wdb. 1, 119, 3. |
| Aexter, znw. vr., III, 19, 4, ekster. Der aexter is haer ey ontstolen is een spreekwoord, waarvan de zin is: De bedrieger wordt bedrogen. Zie harrebomée, Spreekwdb. 3, 176. |
| Afbeten (beet), ww., VIII, 129, afstijgen, van het paard. |
| Al, voegw., VIII, 162, alsof. |
| Al eens, bw., I, 782, gelijk, eenerlei. |
| Algader, bw., I, 142, geheel en al, ganschelijk, volstrekt. |
| Allen. Mit -, bw., VII, 79, geheel en al, volkomen. Zie Mnl. Wdb. 1, 174, 4. |
| Altoes, bw., gevolgd door de ontkenning: - niet, III, 49, 5, in geen geval, volstrekt niet. Zie Mnl. Wdb. 1, 217. |
| Altsijt, altzijt, bw., VI, 43; XII, 64, altijd. Hoogduitsche vorm, gelijk die in ons Hs. meermalen worden aangetroffen. |
| Amye, znw. vr., VIII, 143, geliefde, minnares, maîtresse. Zie Mnl. Wdb. 1, 230. |
| Anberren, ww., I, 703, voortbranden. |
| Ander, vnw., I, 159, van twee personen, elkander. Zie Mnl. Wdb. 1, 241. |
| Aneganghen, ww., IV, 113, aanvangen, beginnen. Zie Mnl. Wdb. 1, 67 en 66, Bedr. |
| Anrechten, ww., IV, 88, recht overeind stellen, oprichten. |
| Ansien, ww., aanzien. 3 pers. teg. t. sicht an, V, 33, Hoogduitsche vorm. |
| Answipen, ww., deelw. angeswipt, VII, 29, aansnellen, aanvaren. Swipen, swepen, een Duitsch gekleurde vorm, komt overeen met Ags. svipjan, een afgeleiden vorm van Ags. svîpan, Ohd. svîfan, Mhd. sweifen, Nhd. schweifen. Zie graff 6, 901; benecke, Mhd. Wtb. 22, 785, 787; ettmüller, Lex. Ags. 764. |
| Anvaen, ww., I, 427, aanvaarden. Zie Mnl. Wdb. 1, 105 vlg. |
| Arch, bnw., XI, 69, slecht. |
| Avedwaen, ww., V, 15, afwasschen. Zie Mnl. Wdb. 1, 133. |
| Avelaen, ww., XII, 71, laten varen, samengetrokken jongere vorm voor Aflaten. Zie Mnl. Wdb. 1, 142; Hildeg. Gloss. |
| Avonturen, ww., I, 520, op het spel zetten, in de waagschaal stellen. |
| Ba noch boe, VII, 45, niet het minste, eigenlijk van het geluid gezegd, doch ook in 't algemeen als versterkte ontkenning gebruikt. Zoo b.v. LSp. I, 61:
Alse dat kint wort gheboren,
So en cant zien noch horen,
Gaen noch staen, bu noch ba,
Ende leit als een worm bina.
Wine wetenre of bu no ba.
|
| Baet, bate, znw. vr., I, 863; VIII, 210; XI, 171, voordeel. |
| Balde, bw., VI, 36, spoedig, Hd. bald. Zie clignett, Bijdr. 59; MLp. Gloss. |
| Baraet, znw. onz., III, 23, 3; 50, 1, bedrog, Ofr. barat. Zie huydec. op Stoke, 2, 210. Volgens burguy, Gramm. de la langue d' Oïl, 3, 33, is het woord van keltischen oorsprong, daar in het Bretonsch barad, barrad, mede de beteekenis van verraad, list heeft. Anderen leiden het van πράττειν af en willen dat het door het verkeer met Grieksche kooplieden in gebruik is gekomen. Zie diez, Etym. Wtb. 1, 52 (3e Aufl.). |
| Baren, ww., VIII, 186, zich aanstellen, misbaar maken. |
| Bat, bw., I, 104, 132, 451, 794; VI, 66; X, 54, beter; bat dan wale, I, 41, beter dan wel, zoo mooi als het maar komen kon. |
| Bedden, ww., VIII, 177, te bed brengen, een bed bezorgen; deelw. ghebed, VIII, 272, van een bed voorzien. Zie Wal. 3611; Lanc. III, 20877. |
| Bede, znw. vr., I, 99, verzoek. |
| Bederven, ww., III, 49, 6, verderven, in het verderf storten, vergaan. |
| Bedi, voegw., I, 517, omdat, want; bedi daer om, VIII, 350, daarom. |
| Bedien, voegw., VIII, 346, omdat. |
| Bediet, znw.- onz., verklaring, in de uitdrukking enen een - maken, XI, 237, iemand iets verklaren. |
| Bedraghen, ww. Hem -, I, 800, in zijn levensonderhoud voorzien. Zie LSp. Gloss. |
| Bedwonghen, bnw., I, 769, gedwongen. Zie LSp. Gloss. |
| Beer, znw. m., VIII, 273, beer. Ook in de Rose, 9516 vlgg. wordt de beer bij de schildering van een ellendig lot aangehaald:
Maer u seggict wel met trouwen,
Dat noit en was geberst so bere
Noch so gevilt in genen sinne,
Alse gi selt siju, mach u gewinnen
Ermoede ende hebben in hare hande.
|
| Begaren, ww., VIII, 330, begeeren. |
| Begheven, ww., met den 2den nv., III, 53, 5; VIII, 130, laten varen. |
| Begheven, bnw., XI, 73, van de wereld afgezonderd, door het doen eener kloostergelofte. Begheven lude is de gewone naam voor kloosterlingen. Zie huydec. op Stoke, 3, 449 enz. |
| Beghinnen, began, begonde, begonste, ww., VIII, 167, 186, 206, beginnen. Zie Cass. 12, 9. |
| Behaghel, bnw., I, 3, schoon, bevallig. Zie MLp. Gloss. |
| Beheept, bnw., VII, 31, behept, aangehaald, gekweld, eigenlijk verstrikt, Hd. behaft. Behept, in de XVIIde eeuw behipt, is eigenlijk het deelw. van beheften, behechten, Mhd. beheften. In het Mhd. vindt men de vormen van het deelw. beheftet, behaft en beheft, in den zin van door den duivel bezeten. Zie benecke, Mhd. Wtb. 1, 604; grimm, D. Wtb. 1, 1316; Dr. de jager, Proeve uit het Wdb. der frequentatieven, geplaatst in den Tijdsp. 1864, en verg. Taalg. 6, 127 vlg., oudemans, Mnl. Wdb. 1, 424. |
| Behoven, ww., VIII, 40, behoeven, noodig hebben. |
| Beiden, ww., III, 5, 6 var., wachten. |
| Bejaghen, ww., I, 80, 210, 259, 307, 768, verkrijgen, met moeite winnen. |
| Bekinnen, ww., I, 201, leeren kennen. |
| Becliven, ww., III, 9, 3, voorspoed genieten. Zie LSp. Gloss. |
| Becomen (bequam), ww., I, 51, 610, 806; VIII, 247, behagen, bevallen. |
| Becommert, bnw., VIII, 103, 134, 260, in verlegenheid zijnde, in slechten staat verkeerende, armoedig. |
| Becopen (becocht), ww., I, 716, bekoopen, ontgelden. |
| Becoren, ww., IV, 204, beproeven, in verzoeking brengen; als znw., V, 51, verleiding, verzoeking. |
| Beleet, znw. onz., XI, 276, beleid, beheer, bestuur. De Heer der Blauwe Scute noemt zijne kinderen vanden Quaden Belede, d. i. van het slechte bestuur, van het wanbeheer. Verg. ald. vs. 282, waar van het quade regiment wordt gesproken. Napoleon le Petit kon desgelijks zijne schurkenomgeving met het volste recht die kinder vanden Quaden Belede noemen. |
| Beleyt, bnw., eigenlijk verl. deelw. van belegghen; - met ene dinc, III, 1, 6; 5, 6, omringd van, omgeven van, en in ongunstigen zin gedrukt, gekweld door; verg. Lat. obsessus. Zie MLp. Gloss. op Belegghen. |
| Belghen, ww. Hem -, met den 2den nv. der zaak, I, 82, 345, zich vertoornen over iets, verbolgen zijn. |
| Belleren, ww., XI, 35, waarschijnlijk dansen, een wisselvorm van baleeren, Ofr. baler, van Mlat. balare. Zie du cange 1, 546; raynouart 2, 174; diez, Etym. Wtb. 1, 49 (3eAusg.). Of moet men misschien lezen: bocleren? |
| Belof, znw. onz., III, 52, 3, belofte. |
| Beloven, ww. Hem -, II, 67, zich verheugen. Zie MLp., Lorr., Hildeg. Gloss.; Mr. moltzer, Dram. Poez. 35. |
| Bent, znw. m., VII, 146, band, boei. |
| Bequaem, bnw., VI, 60, aangenaam, welgevallig. Zie clignett, Bijdr. 200. |
| Beraden, ww., XI, 133, helpen, verzorgen. Zie clignett, Bijdr. 213; LSp. Gloss. enz. |
| Beraet, znw. onz., I, 803, bedrog. Zie op Baraet. |
| Berechten, ww., I, 365, 447, 841, 852; III, 26, 2; 27, 8; 51, 1; IV, 65, 169, onderrichten, inlichting geven. |
| Bereet, bnw., X, 10, bereid, beschikbaar. |
| Berespen, ww., III, 7, 1, berispen. |
| Berich, bnw., IV, 133, aldus duidelijk het Hs. Misschien een eenigermate bedorven Hd. woord en bericht te lezen. Het Mhd. bëreht beteekent schitterend, helder, Ohd. berht, bëraht, Goth. bairhts (zie graff 3, 209; benecke, Mhd. Wtb. 1, 106; lexer, Mhd. Wtb. 1, 190; grimm, Myth. 751). Berich, bericht, van den gemoedstoestand gezegd, heeft dan de beteekenis van vroolijk, opgeruimd. Of is het misschien eenvoudig eene schrijffout voor besich, druk? Verg. Limb. VII, 118, Velth. I, 26, 79 (bl. 35). |
| Bernen, ww., I, 666, 677, branden. |
| Beroemich, bnw., I, 356, 358, grootsprekend, aanmatigend in woorden, blufferig. Zie Mr. moltzer, Dram. Poëzie, 75. |
| Beromen, ww. Hem -, VIII, 16, zich beroemen. |
| Berouwen, ww., onpers. met den 3den nv. des pers. en den 2den der zaak, I, 777, berouwen, berouw hebben (over iets). |
| Besceydenheit, -ede, znw. vr., XI, 250, maat, ingetogenheid. |
| Besceren (besceerde, besceert), ww., XII, 81, bescheren, door het lot toedeelen. Vroeger te recht zwak gebogen. Zie grimm, D. Wtb. 1, 1563, en verg. Ned. Klass. 1, 95; 2, 35; Taal- en Letterb. 2, 57 vlg. enz. Het Hs. heeft besceyt, dat in besceert moet veranderd worden, zooals het rijm uitwijst. |
| Bescelden, ww., VII, 134, beschuldigen, berispen. |
| Bezeten, bnw., VI, 4, waarschijnlijk in den zin van voorzien, begaafd. Verg. Mhd. besëzzen, benecke, Mhd. Wtb. 22, 334; lexer, Mhd. Wtb. 1, 215; grimm, D. Wtb. 1, 1617, op besezzen, 1, a); Hildeg. Gloss. op Besitten. |
| Bestaen, ww., onpers. met den 3den nv., I, 296, toebehooren. Zie LSp. Gloss. |
| Bestaen, ww., met den 2den nv. der zaak, XII, 6, aanvangen, ondernemen. |
| Beste. Over sijn - houden, VIII, 184, naar zijn beste weten aannemen, het er voor houden. Verg. Teest. 1941:
Wouter, dus sijn openbare
Die gheloven comen hare,
Ende wi sijn nu int leste:
Aldus houdict op mijn beste.
|
| Besuren, ww., IX, 50, met smart doorstaan, lijden, ook in de opvatting van met moeite, na zuren arbeid verkrijgen. Zie LSp. Gloss. |
| Bezwichten, ww., XII, 43, stillen, tevredenstellen, Mhd. beswiften, Nhd. beschwichtigen (zie benecke, Mhd. Wtb. 22, 787; lexer, Mhd. Wtb. 1, 233; grimm, D. Wtb. 1, 1606). Swiften, swichten, komt volgens grimm waarschijnlijk reeds in het Ohd. suiftan voor (graff, 6, 851, leest verkeerdelijk sniftan) bij Boethius, 5: ‘tô suifta nider daz sus erstouta gezuâhte,’ d. i.: ‘his ille chorus increpitus dejecit humi maestior vultum.’ Suiftan nider heeft hier de beteekenis van den blik terneer slaan, en grimm wijst nog op dergelijke beteekenis in het Beiersch: ‘da schleichen sie fein geschweift (ganz still und zahm) in das wirtshaus; dan zichen sie fein geschweift dahin, wo sie seind herkommen; die ander jungfrau mit geschweiftem angesicht (schmeller 3, 530), welches letzte ganz dem dejecit humi vultum begegnet.’ Vergelijken wij hiermede eene plaats uit den MLp. II, 4148:
Ondect die lieflike aenghesichten
Ende wiltse niet te duen bezwichten,
|
|
Datmen die zoete wangskijns root
Schouwen mach in liefden noot.
|
| Bet, bijw., VIII, 106, beter; bet af, VIII, 277, verder weg; bet sijn omme ene dinc, VIII, 140, er beter aan toe zijn, beter af zijn. |
| Bevaen, ww., VIII, 132, omvatten, omklemmen; deelw. bevaen mit, IV, 37, bevangen door. |
| Bevroeden, ww. Hem -, I, 852, begrijpen, in de uitdrukking: soe ic mi best bevroede, naar mijn beste weten. |
| Bewaren, ww. Hem - jeghen ene dinc, XI, 232, zich beschermen, zich beveiligen voor, zich toerusten tegen iets. Zie MLp. Gloss., en verg. benecke, Mhd. Wtb. 3, 509 a. |
| By, voorz., VIII, 8, bij, naar, om. Zie Achten. |
| Bidden, ww., I, 1; VII, 69, uitnoodigen, verzoeken. |
| Bidien, voegw., VIII, 252, omdat. |
| Bien, znw. onz., mv. bien, VII, 147, been. |
| Bicken, ww., VII, 54, bikken, als een vogel met den bek pikken, hier in den zin van schralen kost krijgen. |
| Billix, bijw., X, 11, billijkerwijze; verkeerdelijk als bnw. gebruikt, VII, 17, voor billic. |
| Bispel, znw. onz., I, 384, voorbeeld, ter opheldering eener redeneering, hier in den zin van spreekwoord. Zie Hildeg. Gloss. |
| Blaseneren, ww., VII, 189, uitbazuinen, luid verkondigen. Bij kil. Blaesoenen, publicare, divulgare, afgeleid van Blaesoen, buccina, tuba, Mhd. blâsûne. Zoo leest men in janotas' Psalm.: ‘Lovet in in deme lûde der blâsûnen,’ Vulg. ‘Laudate eum in sono tubae,’ en in Karl. Mein. 301, 45:
Dar na neit lanck, so man vns las,
Quam Orias do geuaren
Mit harde dogenclicher scharen ....
Mit baneren, mit blasunen.
|
| een blazoen uitleggen, de heraldieke figuren van een schild verklaren, en blasonner, in den zin van médire, blâmer, critiquer (zie du cange 1, 702, i. v. Blazonare; littré 1, 356). Het woord in de laatste beteekenis, die reeds zeer oud is, komt, naar mij voorkomt, veel meer met ons Blaseneeren overeen, in ongunstigen zin opgevat. Blasonnement in de beteekenis van beleediging komt toch reeds voor in eene oorkonde van 1387, waar men leest: ‘Lesquelx par maniere de blasonnement, de iniure ou autrement mistrent le suppliant en une moyau ou cuve.’ Verg. roquefort, Gloss. 1, 159. |
| Blau huke, blauwe huik, in de uitdrukking enen man die - andoen, II, 3, van eene vrouw gezegd, iemand bedriegen, vooral in de bijzondere toepassing van den man tot hoorndrager maken, hem horens opzetten. Zoo ook in de Sotternie van Rubben, vs. 219, waar de moeder der doortrapte vrouw zegt:
Aldus soude men roden gecken,
Als men hadde alsulken man,
Ende hanghen hem ene blau hoyke an
Ende steken hem thoeft in enen sac.
Frowkens, de geernn hier ende daer den offer untfangen,
Moeten haer mans de blaw huyck omhanghen.
Ook in het Fransch werden de bedrogene echtgenooten als met een blauwe huik omhangen voorgesteld. In de C. Nouw. nouv., Nouv. 73 (Ed: leroux de lincy, 2, 158), wordt een vrouw, die den minzieken pastoor in de etenskast had geduwd, betrapt door haren echtgenoot, die ‘pour la suspection qu'il avoit de la desloyaulté d'elle, craignoit très fort estre du renc de bleuz vestus, qu'on appelle communément noz amys.’ |
| Dat hier de kleur der huik blauw is, hangt misschien samen met de beteekenis van blauw, nietig, ongegrond, bedriegelijk, als in blauwe bloempjes, blauwe Maandag, Hd. blauer Dunst, Fr. contes bleus enz. Zie grimm, D. Wtb. 2, 82; Wdb. op Bredero, i. v.; bild. op Hooft, 3, 36; op huygens, 6, 220; Ned. Klass. 6, 95 enz. |
| Blese, bnw., VII, 83, van een paard, een witte plek haar op het voorhoofd hebbende, van een bles voorzien, kil. blesse, nigram medio frontem distinctus ab albo, albus macula in fronte; Eng. blaze. |
| Bloeynde, bnw., V, 89, bloeiend. |
| Bloet, znw. vr., V, 120, bloesem, Mhd. bluot. Zoo ook willems, Oude Vl. Lied. 15 (Bloeml. 3, 117, IV):
Onghelike staet ons die moet,
Mi ende den cleinen woutvogelkinen,
Als si verhogen dor den bloet,
Die si ten asten ute sien seinen.
|
| Bloet, bloot, bw., III, 49, 2, duidelijk, openbaar, ten volle, en evenzoo al -, IV, 101, stellig, bepaald. |
| Blouwen, ww., deelw. teblouwen, I, 199, slaan, Eng. to blow. Zie huydec. op Stoke, 1, 172; clignett, Bijdr. 118, enz. |
| Bluet, znw. vr., V, 85, bloesem. Zie Bloet. |
| Bluyen, ww., IV, 3, bloeien, Mhd. blüejen (benecke, Mhd. Wtb. 1, 215). |
| Boecken, ww., XI, 49? Zie Voecken. |
| Boerssnider, znw. m., XI, 219, zakkenroller, beurzensnijder, kil. borsen-snijder, saccularius, manticularius, zonarius sector, crumeniseca. |
| Boet, znw. vr., IV, 106, beterschap, genezing. |
| Boete, znw. vr., beterschap, verbetering; der boeten pleghen, I, 343, zich verbeteren; I, 344, boete, boetedoening, middel waardoor men de misdaad betert. |
| Boeven, ww., XI, 59, eigenlijk leven als een boef, wilde knaap, Hd. buben. Veelal met hoeren (hoereeren) verbonden. Verg. de klucht van Nu noch (Belg. Mus. 2, 107), vs. 7:
Maer als ic thuis ben leyt mijn herte ghebonden,
Zo minnelic ben ic ghelevert den honden.
Mijn wijf, zy loddert, zy bouft.
|
| Born, znw. m., VII, 20, bron, Hd. born. |
| Boscher, znw. m., VII, 8, boschwerker. |
| Bouwelic, bw., VIII, 336, kloek, stoutmoedig. Zie Tspel v. Sacr. Gloss. |
| Bouwelinc, znw. m., VII, 56, waarschijnlijk beuling, kil. bolingh, beulingh, intestinum, farcimen, botulus, botellus. Verg. Eng. bowels, ingewanden, OFr. boel, darm, van het MLat. botellus, worstje. Zie mueller, Etym. Wtb. d. engl. Spr. 1, 113. |
| Braken, ww., XI, 107, nachtbraken, kil. braecken, braeckelen, frangere membra laboribus, vigiliis. Zie Ned. Wdb. 1, 871, op Afbraken, II). |
| Breke, znw. vr., VIII, 334, 339, gebrek. |
| Breken, ww., 3 pers. enk. teg. t. brect, deelw. tebroken, I, 346, 384, breken, verbreken; I, 142, 568, verminderen, afnemen. |
| Buel, znw. m., XI, 190, minnaar, Hd. buhle. |
| Bullen, ww., VII, 112, misschien om het rijm te lezen billen, eigenlijk blaffen, en bij uitbreiding getier maken, bulderen. De vorm billen is meer een Duitsche vorm, Mhd. billen, bal, bullen, gebollen (benecke, Mhd. Wtb. 1, 125), doch in het geheel Duitsch gekleurde Hs. niet vreemd. De gewone Mnl. vorm is bilen (Eleg. 765, OVl. Ged. 2, 2169 enz.). Van billen is afgeleid het ww. bullen, in den zin van razen, tieren, vooral van de oprocrige zee gezegd. Verg. de bij benecke 1, 126, aangehaalde plaats: ‘Wie hoert man bullen daz mer von den sturmwinden.’ Oudemans, Mnl. Wdb. 1, 852, haalt eene plaats aan uit van santens Epigr.:
Altijt moetje doch krackeelen
G'lijck d'onheuse kaeckers doen,
Of je bult wanneer wy speelen.
|
| Buren, ww., IX, 49, te beurt vallen. Zie huydec. op Stoke, 1, 570; Hildeg. Gloss. |
| Burse, znw. vr., VIII, 5, beurs, in de uitdrukking dul sijn in die -, berooid in de beurs zijn, platsak zijn. |
| Butseel, znw. onz., VIII, 120, lederen wijnzak, kil. uter, vas vinarium, van OFr. boissel, boisseau, MLat. boissellus (du cange 1, 714, 2). Zie oudemans, Mnl. Wdb. 1, 856. |
| Buttelgier, znw. m., VII, 210, bottelier, keldermeester. Zie Fl. en Blanc. 3893; Wal. 10280. |
| Buverie, znw. vr., XI, 104, losbandigheid, stukje van een lossen knaap. Verg. Boeven. Boeverie wordt gemeenlijk in de bijzondere toepassing opgevat van spelen, dobbelen. Zie v. hasselt op kil., en verg. de keur der stad Leiden van 1 Oct. 1397 (meerman, Beleg v. Leyden, 163, vlg.), waar men leest: ‘Want alle onredelike boeverien ghehantiert worden, die verboden hebben gheweest, soc en wil tGherecht niet, dat men die langher hantiert. Dair om hebben die Rechter mit achte Scepenen eendrachtelic ghecuert een verclaringhe, dat ghien man of wijf, die binnen Leyden poirter of poirtesse sien, binnen der vryheden van Leyden, noch binnen eenre halver mile nae Leyden, en sullen dobbelen, quaerten, quaken, |
| zeylen, noch gheen spel, dat men mit tairninghen of mit quaertspelen speelt, pysen, keylen, effen ende oneffen, cruus ende munt te werpen, koten om ghelt, noch gheenrehande boueriespelen hoe die ghenoemt sijn.’ |
| Dach, znw. m., dag. Enen een dach legghen, III, 5, 2, iemand een dag bepalen, met iemand een bepaalden tijd afspreken Verg. MLp., Bloeml. Gloss. |
| Dailkijn, znw. onz., VIII, 61, kuiltje. Verg. Rose, 518:
Hare vorehoeft slecht ende ront die kinne,
Daer een clene dal stont inne.
|
| Dale. Te -, bw., IV, 236, naar beneden, omlaag. |
| Danen, bw., VIII, 299, van daar. |
| Danieel. Sinte -, znw. m., VIII, 312, Sint Daniël, de propheet, wiens gedenkdag 21 Juli is, en wiens naam meer werd aangeroepen blijkens Ferg. 3762:
Ferguut sprac: ‘Bi sente Danele,
Dit nes gheen paert, hets Baerlebaen.
Want Malaghijs een wonde ontfinc,
Bi den goeden sente Danele.
|
| Danc, znw. m., dank. Sonder -, III, 16, 3, als bepaling bij een znw. gevoegd, ondankbaar. Verg. Hildeg. Gloss. |
| Decken, ww., I, 682, bedekken, verborgen houden. |
| Deluen, deluwen, ww., IV, 71, verwelken, kil. livescere. Het bnw. deluw, loodkleurig, doodsbleek, is in de XVIIde ceuw nog zeer gewoon. Zie cats 1, 423a:
Als yemant heeft gepluckt, en met'er daedt genoten
De bloem van uwe jeugt, met lusten overgoten,
't Is reden dat hy draegt, en sonder morren lijdt,
Wat dor en delluw wort ontrent den winter-tijt.
|
| Den, voegw., V, 85, want, Hd. denn. |
| Deren, ww., I, 626, 630; XI, 210, deren; schaden. |
| Derven, ww. Zie Dorven. |
| Derven, ww., - van ene dinc, VIII, 345, missen, afstand doen. |
| Dien, ww., VIII, 17, gedijen, voorspoedig zijn, voordeel doen. |
| Dienre, znw. m., XI, 169, dienaar, knecht. |
| Diep, bw., diep, in de zegswijze diep drincken, VIII, 198, zwaar |
| drinken, Eng. to drink deep, en verg. ons diep in 't glaasje zien. Zoo ook Kerken Cl. (Bloeml. 2, 99) vs. 200:
Si hebben nu die cokene vet,
Alsi metten heren hoven,
Diepe drinken, dat si stoven.
|
| Dier, bnw., I, 66; VIII, 241, kostbaar. |
| Dic, dicke, dicken, bw., I, 93, 191, 716, 766, 770; III, 8, 7; 41, 5; VI, 48; XI, 158, dikwijls. |
| Dincken, ww., met den 2den nv. der zaak, III, 18, 4, denken aan iets, er aan gedachtig sijn. |
| Do, bw., IV, 186, toen. |
| Doemen, ww., VII, 114, verdoemen, vloeken. |
| Doen (dede, dade), ww., doen; - inden sinne, III, 28, 9, in het hart een plaats geven, veel aan iemand denken; hem -, VIII, 209, zich begeven; hem - te enen, 1, 62, sich houden jegens iemand, iemand behandelen. Zie MLp. Gloss. |
| Doen, znw. onz., IV, 135, geaardheid, bestaan. |
| Dofhorn, znw. m., VII, 101, doffer, mannetjes duif; in het Vocab. rerum: duphorn, columbus, in het Vocab. Ex quo: dubern (diefenbach, Gloss. 134). |
| Doghen, doeghen, ww., I, 176, 179, 183, 564, 784; III, 1, 7; 21, 10; 25, 5; IV, 86; VIII, 134, lijden, dulden; deelw. ghedoghen, VIII, 91, in plaats van den zwakken vorm ghedoghet. |
| Doghet, doecht, znw. vr., VIII, 331; IX, 64, deugd. |
| Door, doer, dor, voorz., I, 99, 110, 117; VI, 6; VIII, 21, 34, 43, 95, om, ter wille van. |
| Doppen, ww., VII, 98, uit den dop in een schotel gieten, kil. ova e testis patellae infundere. |
| Dorper, znw. m., V, 27, 29, 38, ruw, onbeschaafd mensch, eigenlijk dorpsbewoner, doch steeds in ongunstigen zin als Fr. vilain, Lat. villanus, van villa. |
| Dorper, bnw., V, 35, ruw, gemeen. |
| Dorperheit, znw. vr., I, 232, ruwheid, gemeenheid. |
| Dorren, ww., durven. Teg. tijd, Aant. wijs, ic dar, I, 168, 273; bij klankwisseling: ic der, I, 834; Onv. verl. tijd: ic dorste, ghi dorst, IV, 127. Zie Mnl. Spraakk. 62, en verg. LSp. Gloss. enz. |
| Dorven, ww., behoeven, noodig hebben. Teg. tijd, Aant. wijs, 3 pers. darf, VIII, 15. Zie Mnl. Spraakk. 62, en verg. LSp. Gloss. |
| Draghen, ww., dragen; minne -, I, 83, 89, liefde gevoelen, verliefd zijn. Geb. wijs, 2 pers. drach, VIII, 119. Zie Dr. de jager, Versch. 200. |
| Drec, znw. onz., VIII, 350, drek, slijk, hier in toepassing op de hel, in de uitdrukking des duvels drec. Verg. bij hildeg. de uitdrukking dat helse slijc. Zie Gloss. |
| Drillen, ww., VII, 122, drillen, krachtig met de hand bewegen. |
| Drinten, ww., VII, 113, opswellen, kil. Drenten en Drinten, vetus. Fland. Turgere, tumere, tumescere (Hor. Belg. 7, 22). Zie Natuurk. 277:
Men mach int hooft dootwonde ontfaen
Int wassen der mane harde saen,
Want in wassen die hersen drenten
Ende int wanen si weder prenten.
|
| Driven, ww., drijven. Vroeger in veel ruimere opvatting dan thans. Zoo zeide men vri ghemuet -, III, 8, 8, opgeruimd zijn; vruechden -, III, 9, 4, vermaak scheppen, vroolijk zijn; riveel -, XI, 242, mingenot smaken. Verg. Lipp. (Dram. Poëzie, 61) 2:
Ic wil gaen driven mijn riveel
Mit minen suete lieve int gras.
|
| Droghen, ww., IV, 70, verdrogen, droog worden. |
| Drocken, III, 4, 9, bedorven lezing voor duncke. Zie de Aant. |
| Droech, drouch, bnw., I, 662, 665, droog. |
| Droven, ww., VIII, 39, bedroefd zijn, zich bedroeven over. |
| Druut, znw. m., VII, 81, snaak. Zoo ook Wap. Mart. I, 664:
Martijn, du best een vremt druut,
Du spreecs recht alse een Vriese ruut
Die noch noyt en minde.
Geselle. Siet Heyn-sone, wat schoonder wijf comt ginder sitten. And. Ges. Dats waer, ende wat leelijcken druyt van een manne! Zie over de afleiding Wap. Mart. Gloss. |
| Duecht, ducht, znw. vr., V, 34, deugd; III, 17, 2, 3, deugd, weldoende kracht. |
| Duchtenheit, znw. vr., V, 40, deugd. |
| Duer, voorz., V, 61, door, door - heen. |
| Dul, bnw., III, 53, 4, zot, dwaas, in de uitdrukking bi dullen rade, dwaselijk, onbedacht; dul in die burse, VIII, 5, leeg van beurs, bij vergelijking met zotten, die leeg van hoofd zijn. |
| Dure, znw. vr., VIII, 281, deur. |
| Dwaen (dwoech, ghedweghen), ww., I, 32, 35; V, 19, 34, 38; VIII, 163, wasschen, vooral van de handen. Zie huydec. op Stoke, 3, 178 vlgg., enz., en over het wasschen der handen voor het eten van wijn, Avondst. 2, 96; Hor. Belg. 3, 118 vlg.; Beatr. (lste Uitg.) 56 vlg. |
| Dwale, znw. vr., tafellaken, servet. Zoo ook MLp. IV, 1231:
Men reyde disch, laken ende dwalen.
Doe leidemen taflen uptie scraghe:
Daer boven spreedde men die dwale.
Mettesen dedemen up die dwale;
Daer was gheten int ghevouch.
|
| Dwinghen (dwanc), ww., IV, 201, vastklemmen, drukken, als een bewijs van liefde; dwinghen mitter hant, een handdruk geven. |
| Echt, bw, daarna, daarop; nu ende -, IV, 87, nu en later, nu en dan, van tijd tot tijd. Zoo ook D. Doctr. III, 137:
Aldus en es nieman soe quaet,
Noch soe ongherecht, dat verstaet,
Noet en dwingten nu oft echt,
Dat hi wesen moet gherecht.
|
| Echte, voegw., III, 30, 2, waarschijnlijk een wisselvorm voor Ochte, ofte, of, als tegenstellend bijschikkend voegw., hier ook voor het eerste lid geplaatst, om de tegenstelling met vs. 10 beter te doen uitkomen. Verg. Ned. Wdb. O, 1, 62, I, 4). |
| Eden, ww., deelw. gheëet, X, 47, met een eed bevestigen. |
| Eyn, bnw., alleen, eenzaam, met een voorgevoegden 2den nv., in de beteekenis van beroofd van het door den 2den nv. uitgedrukte. Wandels eyn, V, 22, vrij van gebrek, zonder vlek, smetteloos. Aan het Mhd. ontleende uitdrukking. Verg. Wigalois, 11303 (Ausg. pfeiffer 287): |
|
Der knappe lief fröuden eine:
Ich waene, diu was im kleine.
Diu süze, wandels eine,
Isot diu blunde künegin.
|
| Een, eyn. Op - comen, X, 48, overeenkomen. Over eyn, IV, 45, dooreen, door elkander. |
| Eenvoldich, bnw., I, 641, eenvoudig. |
| Eerlike, bw., IV, 70, met eer, eervol, doch hier in de toepassing van schoon. |
| Eersen, ww., VII, 181, terugwijken, van ers, aars, gelijkstaande met Fr. reculer van cul. |
| Egen, bnw., III, 55, 1, eigen, lijfeigen, in eigendom. |
| Eyt, znw. m., VI, 3, 14, eed, in de uitdrukking nemen op sijn eyt, bezweren. Verg. Ovl. Lied. (Maetsch. d. Vl. Biblioph.) 134:
O vrauwe, dat nemic up mijn heit,
Mijn herte, mijn zin ende ghi
Daer tusschen was nie ondersceit.
|
| El, els, bw., niet -, I, 107; VIII, 270, niet anders; - niet, I, 156, 635, anders niet; - negheen, I, 167, anders geen; els niet, I, 56, anders niet. |
| Elker malc, vnw., VII, 11, iedereen. Malc is samengetrokken uit manlijc, ieder, elk. Zie huydec. op Stoke, 3, 62. Elker malc vind ik nog in de Bed. d. Misse (N.R. v. W. v. d. Maatsch. d. Ned. Letterk. 7, 26), waar verhaald wordt hoe de priester bij het Dominus vobiscum een kruis maakt. En nu vervolgt de dichter vs. 453:
Dat dit elker manlijc siet,
So en sal hi des laten niet,
Hine seine hem mede
Vor des duvels behendechede.
|
| Engheyn, vnw., VIII, 52, geen. |
| Eninghe, znw. vr., I, 152, vereeniging. |
| Erre, bnw., VIII, 116, boos, vertoornd. Zie Lorr., LSp. Gloss. |
| Ertrike, znw. onz., I, 724, aarde, aardrijk. Gemeenlijk zonder lidw. gebruikt. |
| Eten (at, geten), ww., I, 70, eten. |
| Evel, bnw., kwaad, euvel; evele moet, I, 79, 338, 375, 404, eigenlijk kwade, booze gemoedsgesteldheid, vooral in den zin van gramschap. |
| Evel, znw. onz., VIII, 49, euvel, kwaad. |
| Except, znw. onz., XI, 213, voorschrift, kil. exceptie, praescriptio. Zie du cange 3, 131, i. v. Exceptum, waar het volgende uit eene oorkonde wordt aangehaald: ‘Instituimus, ut omnes obediant ei, et sine exceptis illius nihil agatur.’ |
| Faelgieren, faelieren, ww., I, 292, 339, 372; III, 15, 4; 22, 3, afnemen, verzwakken, bezwijken; met den 3den nv., VIII, 14, 335, iemand ontbreken. |
| Faut, znw. vr., XI, 220, gebrek. Verg. Parth. 112, 18:
Van dien paise compt traechheit,....
Dan vellet therte in swimelingen,
In faute ende in dolingen.
|
| Feest, znw. vr., IV, 52, feest. Zie LSp., MLp. Gloss., Dr. de vries, War. 102. |
| Fel. bnw., VII, 191, wreed, nijdig, boosaardig. |
| Fel. Sonder -, X, 31, zonder arglistigheid, zonder bedrog. Zie Limb., Hildeg. Gloss. enz. |
| Fijn, bnw., I, 16, 171, 496; III, 1, 2; IV, 90; VI, 59; XI, 121, 125, voortreffelijk in zijn soort, en bij uitbreiding in allerlei wijzigingen voor edel, rein, uitmuntend enz. Zie LSp. Gloss. |
| Fijn, znw. m., I, 680, einde, Fr. fin. Zie huydec. op Stoke, I, 67; Bloeml. Gloss. |
| Fijt, znw. onz., XII, 21, in de uitdrukking des niet een - achten, er geen zier om geven. De uitdrukking is mij nergens elders voorgekomen, en ik weet er geene voldoende verklaring voor te geven. |
| Fiole, znw. vr., V, 71, viool. |
| Fyole, znw. vr., in de spreekwijze fyolen sorghen laten, XI, 23, violen laten zorgen. Een reeds oud spreekwoord, waarvan de afleiding duister is. Zie harrebomée, Spreekwdb. 2, 383; 3, 351. Verg. er mede de spreekwijze: roosje laten zorgen, welke ik bij harrebomée niet vind opgeteekend, en die geheel in denzelfden zin wordt gebezigd. |
| Flemaet, znw. m., I, 481, 559, phlegmaticus. |
| Flematicus, -a, bnw., I, 469, 481, phlegmatisch. |
| Florijn, znw. m., II, 37, gulden. |
| Fnuken, ww., VII, 24, fnuiken, kortwieken, door de slagpennen uit te trekken. |
| Gader. Te - doen, IV, 43, bijeendoen, dooreendoen. |
| Gaen, ww., gaan; 3 pers. enk. Teg. tijd, gaet, gheet, gheyt, V, 11, 118, 120. |
| Gaer, bw., XII, 2, 13, 16, 32, geheel, volkomen, Hd. gar. Zie benecke, Mhd. Wtb. 1, 480b. |
| Gans, bnw., VI, 34, geheel, ongeschonden, vȯlkomen. Zie MLp. Gloss. |
| Ganselic, bw., VI, 8, geheel en al. |
| Garen, ww., VIII, 1, 69, begeeren. |
| Garn, bw., IV, 115, gaarne. |
| Gast, znw. m., II, 6, gast, bezoeker. |
| Ghebaren, ww., XI, 31, zich aanstellen. |
| Ghebeer, znw. onz., VII, 178, geraas, lawaai, leven. |
| Ghebieden, ww., III, 45, 2, medebrengen, vergunnen. Zoo ook MLp. I, 952:
Wes ye gheleefde, dat is doch doot
In mi; mer doe die tijt gheboot
Dat ic mede ter heyden ghinc,
Doe dede ic als een jonghelinc.
|
| Ghebreken (ghebrac), ww., met den 3den nv. des pers., VIII, 144, ontbreken. |
| Ghebrekenesse, znw. vr., I, 615, 617, gebrek, gemis. |
| Gebringen, ww., I, 416, brengen. |
| Ghebuer, gheboer, mv. ghebuer, gheboren, VII, 93, 161, 163, 190, boer, Mhd. gebûre, gebûr. Zie huydec. op Stoke, 1, 408; bewecke, Mhd. Wtb. 1, 290. |
| Ghedaen, bnw. Wael -, IV, 65, 231, welgemaakt, schoon. Ghedaen beteekent de gedaante hebbende, er uitziende als, terwijl de nadere bepaling gemeenlijk door een bw. wordt uitgedrukt. Zie LSp., MLp. Gloss. |
| Ghedilt, bnw., VII, 116, misschien met dille gekruid. De dille, Lat. anethum, dient volgens dodonaeus ook als toespijs. Zie ald. 480a: ‘Men pleeght dit cruydt te ghebruycken in sommighe landen, om by de spijse te doen, als by de koolen, ende by den visch.’ |
| Ghedocht, znw. onz., III, 1, 9, gedachte. Verg. MLp. Gloss. |
| Ghedoen, ww., I, 86, doen. |
| Ghedoghen, ww., III, 30, 5, dulden, uitstaan. |
| Ghedueren, ww., I, 706, duren, duurzaam blijven; VIII, 189, het uithouden. |
| Gheer, znw. m., VI, 7; VII, 177, begeerte, lust. |
| Ghegronden, ww., III, 20, 7, doorgronden. |
| Ghehuer, bnw., VI, 25, lief, aanvallig, Mhd. gehiure, Ohd. hiuri. Zoo o. a. Walth. v. d. Vogelw. 69, 8:
Wîbes name und wîbes lîp
Die sint beide vil gehiure.
Ein sô schoeniu crêatiure,
Reine unde sô gehiure.
Terwijl onghehier, onghier, in het Mnl. zeer gewoon is, komt ghehuer, ghehier, gheheer, slechts zelden voor. Zie VIII Pers. wenschen (Belg. Mus. 2, 432): Achte personen saten,
Op eenen lichten dach,
Ende si droncken wel ende aten
|
|
In een vri ghelach.
Een ridder wel gheheer,
Een maghet van hoger connen, enz.
|
| Gheclemmen, ww., I, 578, beklimmen, opklimmen. |
| Gecrigen (gecreech), ww., I, 203, verkrijgen. |
| Ghelaten, ww., met den 2den nv., V, 28, nalaten. |
| Gheldekijn, znw. onz., XI, 70, geldje, schertsend als thans de duiten. |
| Ghelike, znw. vr., gelijkenis, vergelijkend voorbeeld; bi gheliken, I, 709, naar de voorbeelden ons leeren. Verg. Hildeg. Gloss. |
| Gheliken, ww., met den 2den nv., VI, 30, vergelijken bij iets. |
| Gheloeft, znw. onz., X, 46, gelofte, belofte. |
| Gheloven, ww., VIII, 193, beloven. |
| Ghemate, bnw., I, 239, matig, ingetogen. |
| Ghemeen, bnw., III, 20, 4, gemeen, vereenigd, saam verbonden. Verg. Ovl. Lied. (Maetsch. d. Vl. Biblioph.) 83:
Het lach een wijf van frisschen zinne
Bi haren boel alleine,
In anders arem vast ghemeine.
|
| Ghemeyt, bnw., VI, 33, vroolijk, welgemoed, beminnelijk, Mhd. gemeit. Zie MLp. I, 3200; Limb. I, 920; Borchgr. v. Vergi 32; Reinout 958, en verg. N. Ned. Taalmag. 3, 13 vlgg. Gemeit is hoogstwaarschijnlijk Goth. gamáids, verminkt, Ohd. gimeit, hebes, obtusus, vanus, stolidus, stultus; Ags. gemâd. Benecke, Mhd. Wtb. 21, 129b, merkt hierbij op: ‘Diese bedeutung geht über in die von insolens, jactans, superbus, hilaris, lactus, die Mhd. allein noch erscheint. Die sprache bietet noch mehr beispiele, dass die begriffe leer, dünkelhaft, leichtsinnig, stolz, fröhlich sich berühren und in einander übergehen.’. Zie over de verschillende beteekenissen benecke, t. a. p. 130, 131. |
| Ghemeten. Zie bij Meten. |
| Ghemoet, bnw., gezind, gesteld (op), eigenlijk deelw. van moeden; in de uitdrukking - sijn aen enen, X, 23, 40, zijn gemoed, zijn hart op iemand gezet hebben. Verg. Rijmb. Gloss. |
| Ghenaem, bnw., XI, 149, aangenaam, Hd. genehm. Zie LSp., MLp. Gloss. enz. |
| Gheneren, ww. Hem -, VII, 184, zich voeden, den kost verdienen (met iets). |
| Ghenoeghen, ww., I, 794, 797, behagen, naar den zin zijn; hem - laten, I, 619, zich tevreden stellen, tevreden zijn. Zie MLp. Gloss. |
| Ghenoet, znw. m., I, 136, gezel, gelijke, vooral in de uitdrukking sijn, haer -, zijns, haars gelijke. Zie huydec. op Stoke, 2,555; clignett, Bijdr. 197. |
| Ghenoten, ww., met den 3den nv., XI, 132, zich als genooten voegen bij, zich aansluiten aan, Mhd. genôzen (benecke, Mhd. Wtb. 2,397; lexer, Mhd. Wtb. I, 862). |
| Ghenucht, -nuchte, -nuuchte, znw. onz., VI, 43; IX, 19; XI, 43, 53, geneugte, genot, wellust. |
| Ghenughen, ww., 3 pers. enk. Teg. tijd, ghenucht, X, 14, behagen, naar den zin zijn. |
| Gheraect, bnw., I, 549, goed, voortreffelijk, uitmuntend; doorgaans vereenigd met wel: wel -, I, 22, 73, 522, van personen zoowel als van zaken. Zie clarisse, Heim. 257-261; LSp. Gloss. |
| Gherecht, bnw., rechtvaardig, deugdelijk; gherechte trou, IV, 172, waarachtige trouw. Zie LSp. Gloss. |
| Ghereet, ghereit, bnw., I, 811, gereed, vaardig; - sijn te enen, I, 50, voorhanden zijn, tot iemands beschikking zijn. |
| Ghereet, bw., I, 736, snel, schielijk. Zie LSp. Gloss. |
| Ghereyde, znw. onz., VIII, 287, paardetuig. Zie clignett, Bijdr. 225. |
| Gheren, ww., met den 2den nv., I, 126, 635, 728; XI, 234; X II, 81, begeeren; als znw., VI, 51, begeerte. |
| Gherief, bnw., vergr. tr. gheriever, II, 75? Eene mij niet zeer duidelijke plaats. Het znw. gerief, in de tegenwoordige beteekenis, komt herhaaldelijk voor. Is gherief hier voor gherieflijc, gerieflijk, makkelijk? Ik waag hier niet te beslissen. |
| Gheringhe, bnw., XI, 27, vaardig, vlug, Mhd. geringe. Zie benecke, Mhd. Wtb. 21, 711; lexer, Mhd. Wtb. 1, 882. In het Mnl. als bw. zeer gewoon. Zie MLp., Hildeg. Gloss. enz. |
| Gherocht, bnw., X, 2, oprecht, waarachtig. |
| Ghescacht, V, 3, voor ghescaft, verl. deelw. van het Hoogduitsche schaffen, vormen. Verg. benecke, Mhd. Wtb. 22, 72, en de aldaar aangehaalde voorbeelden: ‘Got si hât als menschen geschaft.’ Ludw. Kreuzf. 7291; ‘Der wald was wunneclîch geschaft.’ Schaffen is de afgeleide vorm van. het sterke ww. schaffen, schuof, geschaffen, ons scheppen, schiep, geschapen. |
| Ghescaden, ww., V, 79, schaden, beschadigen, schade doen. |
| Ghesceet, -ede, znw. onz., I, 856, scheiding, afscheid. Zie MLp. Gloss. |
| Gheselscop, znw. onz., XI, 166, gezelschap. |
| Ghesinde, znw. onz., IV, 39, stoet, gezelschap. |
| Ghesmaken, ww., I, 644, smaken, lijken, bevallen. |
| Ghespot, znw. onz., III, 51, 10, spotternij, bespotting. |
| Ghestade, ghestaet, bnw., I, 326, 433, 438, 704; IV, 141; IX, 61., gestadig, standvastig; bw., XI, 266, standvastig. Zie LSp. Gloss. |
| Ghestadich, bnw., I, 624, standvastig. |
| Ghetayn, XII, 11? |
| Gheval, znw. onz., lot; goet -, I, 366, geluk, voorspoed. Zie huydec. op Stoke, 2, 237; clignett, Bijdr. 241; LSp., MLp. Gloss. enz. |
| Ghevallen, ww., I, 41, 53; IV, 180, gevallen, gebeuren. |
| Ghevoech, ghevouch, znw. onz., wat voegt of te pas komt; sijn -, I, 67; III, 27, 6; XI, 98, zooveel hij noodig heeft, zijn genoegen, zijn bekomst. Zie LSp. Gloss. enz. |
| Ghevroeden, ww., I, 130, 146, 150, beseffen, begrijpen. |
| Ghewade, znw. onz., XII, 61, gewaad? Onverstaanbare verzen. |
| Ghewagen (ghewoech, ghewaghen), ww., met den 2den nv., I, 91, 114; III, 54, 8, gewagen, gewag maken. |
| Ghewalt, -alde, znw. onz., V, 74, geweld, macht, kracht. |
| Ghewassen, ww., III, 21, 7, wassen, grocien. |
| Ghewelt, -elde, znw. onz., V, 111; VIII, 238, 338, geweld, macht. |
| Ghewes, bnw., gewis, seker, veelal in de spreekw. sijts -, I, 285, 749, wees er verzekerd van. |
| Gheweten, ww., I, 96, weten, te weten komen. |
| Ghewinnen (ghewan), ww., V, 122, winnen, voortbrengen. |
| Ghewouden, ww., met den 2den nv. der zaak, IV, 54, de macht geven, toestaan, toelaten; III, 54, 6, besturen. Zie MLp., Hildeg. Gloss. |
| Ghewout, znw. onz,, IX, 8, macht. |
| Ghichte, znw. vr., I, 786, 789, 801, 813, 818, gift, geschenk. |
| Ghierlic, bw., VII, 59, begeerig, gulzig. |
| Glavelote, znw. vr., VIII, 93, kleine lans, spies, OFr. glavelot, MLat. glaviolus. Boden schijnen met eene halve lans gewapend te zijn geweest, als blijkt uit eene plaats aangehaald bij du cange 3, 530, i. v. Glaviolus: ‘L'un desdis jeunes gens ... déguisé tenant, comme un messager, un glaviot en sa main.’ |
| Goede, znw. vr., VI, 52, goedheid. |
| Goken, ww., VIII, 75, bedriegen, voor 't lapje houden. Verg. kil. gokelen, Sax. Sicamb., een wisselvorm van guychelen, joculari, nugari, dexteritate quadam decipere. |
| Gonnen, ww., 3 pers. enk. Teg. tijd gan, IX, 14, gunnen; XI, 130, goedgunstig, genegen zijn. De vorm gannen, 3 pers. mv. Teg. tijd, XI, 152, in plaats van gonnen, is onzuiver, en slechts om het rijm gekozen, evenals wij spreken van zij kannen, zij maggen, enz. |
| Gorden, ww., VII, 119, aangorden. |
| Gout, bnw., V, 60, goed, evenals goute, V, 137, goedheid, welke beide vormen in het Hs. staan, doch in goet en goede zijn veranderd. |
| Graet, -de, znw. m., I, 569, 576, 581, trap, Lat. gradus. Zie Bloeml. Gloss. |
| Grimmen, ww., VII, 222, woeden, razen en tieren, als een razende omloopen, kil. furere, frendere, ducere vultus. |
| Grinsen, grijnsen, ww., VII, 123, 233, grijnzen, grimmig zijn, kil. grijsen, grijnsen, ringere, os distorquere. |
| Groyen, ww., XI, 123, groeien. |
| Groet, bnw., groot; in de uitdrukking groet ende smal, I, 464, groot en klein, alles te zamen, in 't geheel; groet no smal, I, 611, groot noch klein, in 't geheel niet. |
| Gruet, znw. m., XI, 3, groete, in de uitdrukking - ontbieden, groeten, zijnc groete geven. |
| Gruut, gruyt, VII, 34, 123, 182, waarschijnlijk van gruwen, grouwen, brommen, knorren, snauwen, kil. grouwen ende snauwen, Fris. intonare, verbis protelare. Ware in vs. 182 gruyt niet met een y geschreven, dan zoude men eerder aan het ww. grunnen, Eng. to grunt, Hd. grunzen, denken, en overal in plaats van gruut - grunt lezen. De lezing van het Hs. met de y wijst ons op een ww. gruten, dat zich niet laat opsporen, of op een ww. gruwen, dat in de hier opgegeven beteekenis een goeden zin oplevert. Gruut van gruwen, hoewel in anderen zin, komt o. a. voor bij Dr. van vloten, Ned. Kluchtsp. 77:
Se wort zo putertier en uutgelezen fel quaet,
Dat my dickens thuus te blyvene gruut.
|
| Guet, bnw., goed. Guede liede, XI, 88, de burgers, de ingezetenen, de gewone benaming van de burgers der steden, vooral in betrekking tot hunnen heer, die ze gemeenlijk aldus noemde. Verg. Oorl. v. Albr. Gloss. - Ene dinc guet maken, II, 16, iets weten te bedisselen, zich weten te redden, goedaf spelen. |
| Guelief, - ve, znw. m., gemeenlijk in het mv., III, 5, 1; 20, 1, gelieven, minnaar en minnares. |
| Guldijn, znw. m., II, 34, gulden. |
| Haen, hayn, ww., V, 7, 108; VI, 54; XII, 12, hebben, Mhd. hân; een Nederduitsche vorm. Zie Hildeg. Gloss. |
| Haer, znw. onz., haar; in de uitdrukking niet een -, XII, 4, geen haar, volstrekt niets. Zie Dr. de jager, Lat. Versch. 123. |
| Haer, hair, bw., XII, 7, hier; - ende ghens, X, 35, hier en ginds, heen en weder, over allerlei zaken. |
| Haert, bw., VII, 13, hard, vast. |
| Halven. Van iemens -, I, 295, van iemand, vanwege iemand. |
| Hant. Te -, bw., VIII, 318, dadelijk, terstond. |
| Hantieren, ww., I, 211, 290, 370, 787; IX, 66; XI, 201, plegen, in praktijk brengen, ocfenen; een gilde -, XI, 271, met een gilde zich ophouden, lid zijn van een gilde; een woord van veel uitgebreider toepassing dan thans. Zie LSp., Hildeg. Gloss. |
| Harde, bw., IV, 221, zeer. Zie Herde. |
| Harentare, bw., I, 18, 94, 235, 324, hier en daar. |
| Harte, hartze, znw. onz., 2de nv., hartsen, VI, 1, 7, 51; XII, 2, 47, hart. Zie Hildeg. Gloss. op Herte. |
| Haselijn, -ine, bnw., VIII, 146, van een hazelaar. |
| Haveloes, bnw., VIII, 353, zonder have, van have en goed beroofd, arm. |
| Hebben, ww., - bi enen, VII, 231, bij iemand halen, bij iemand te vergelijken zijn.
Zie bredero, Luc. 40: Ick denck niet datter leeft
Een schepsel dat by u in waardicheden heeft.
Wy moeten in 't gevoel de spinne-koppen wijcken,
By honden in den rueck en heeft de mensche niet.
Al wat 'er maegschap is, of ander vrientschap hiet,
En heeft noch evenwel by echte liefde niet.
|
| Heer sat, bnw., VII, 72, misschien zoo zat als een heer, op dezelfde wijze samengesteld als coesat (Wint. e. Som. 109, Dram. Poezie, 220). |
| Heersenloos, bnw., hersenloos; - maken, III, 51, 8, vermoorden. |
| Heeruyter, heer uiter, VII, 137, 154, lees: heer Nyter, en het onverstaanbare der beide plaatsen is voor een deel althans opgelost. Heer Nyter is de persoonsverbeelding van een nijdig, boos mensch, tevens met zinspeling op den naam Nîthart, Nietert (förstemann, D. Namenb. 2, 958). Zie brant's Narrensch. c. 53 (Ausg. zarncke 54b; verg. c. 77, 59):
Vergunst vnd hasz, witt vmbhar gat,
Man fundt grosz nyd, jn allem stat,
Der Nythart, der ist noch nit dot.
Mar die gheburen van Grovenhuse,
Die mitten gueden altoes schimpen,
Ende spreken arch mitten onghelimpen
Van alre minnentliker doecht,
Daer ons die minne niet off verhuecht;
Want sy haten bloedelijck
Alle die minnen doechdentlijck.
Des machmen exempel nemen wael
Aen heer Nytert van Ruwendael.
|
| Heil, heyl, znw. onz., III, 21, 11; VI, 54, heil, zegen. Zie de aant. bij de laatste plaats. |
| Heynst, znw. m., VII, 177, hengst. |
| Helde, znw. vr., VII, 133, boei, en bij uitbreiding gevangenschap, bij kil. helde, halde, Sax., Fris., Sicamb., Holl., Fland., compes, numella, pedica. Verg. Belg. Mus. 6, 194, 287 vlgg.:
Wachten die hem te wachten heeft,
Men vindt in niemen trouwe die leeft;
Spel van vrouwen ende heerscaps helde
Machmen verdriven al met gelde.
|
| Helen, ww., III, 8, 1 vlgg., helen, verbergen, verhelen. |
| Helsen, ww., III, 27, 5, omhelzen. |
| Hene, bw., VIII, 289, van hier, heen, weg. |
| Herde, bw., I, 388, 664, zeer. |
| Herte, znw. onz., 2de nv. hertsen, Hd. herzens, II, 17, hart. Een Hd. vorm, die bij Hildeg., en vooral in de sterk Duitsch gekleurde Ovl. Lied. (Maatsch. d. Vl. Biblioph.) telkens voorkomt. Zie Ovl. Lied. 58, 1; 59, 3; 64, 12, 14, 16; 66, 5 enz. |
| Heten (hiet), ww., I, 32, 37, bevelen. |
| Hilden, ww., V, 142, houden, wisselvorm van helden, den grondvorm van houden. Zie Hildeg. Gloss. op Helden. |
| Hilt, znw. vr., VII, 120, greep, handvatsel van een zwaard, Eng. hilt. Wal. 3354, waar van een zwaard gesproken wordt:
Die coninc tart daer na ter vaert:
Tusscen appel ende hilte bede
Nam hijt, ende staect inde scede.
|
| Hinderwaert varen, VIII, 4, 329, verkeerd uitkomen, Lat. abire in malam partem. Zie Rein., Bloeml., Hildeg. Gloss. |
| Hypen, ww., VII, 203, waarschijnlijk knorren, grommen, een woord dat mij nergens elders in het Mnl. is voorgekomen en waarvan ik ook geene sporen in een der verwante talen of dialecten vind. Is misschien hypen een toen reeds verbasterde vorm van hiepen, en verwant met Goth. hiufan, klaagliederen zingen, treuren, Ohd. hiufan, Ags. heofian (schulze 139; graff 4, 837; Gr. 2, 18)? Men zoude haast geneigd zijn tusschen hypen of hiepen en het bnw. hiep, bang voor zijn corpus, tobberig, vooral met betrekking tot de gezondheid, eenig verband te zoeken, zoo zich dit niet aanstonds deed herkennen als eene veel later ontstane, populaire verkorting van hypochonder. Zie mueller, Etym. Wtb. d. engl. Sprache, 1, 511. |
| Ho, bw., III, 8, 8; VI, 53, luide, met luider stem, eigenlijk hoog. Verg. Rein. 443:
Doe mochtemen horen aneslaen
Ende beghinnen, harde ho,
Dat placebo Domino.
|
| Hoede, znw. vr., hoede, bescherming; in hoeden houden, VI, 50, in bescherming houden, behoeden, bewaken. Verg. Hildeg. Gloss. |
| Hoeyck, znw. vr., huik, in de uitdrukking enen die blan - andoen. Zie op Blau. |
| Hoeck, znw. m., hoek; over -, VII, 224, overhoeks. |
| Hoesch, bnw., XII, 48, hoofsch, heusch, beleefd. Zie Hildeg. Gloss. |
| Hoeven, hoven, ww., II, 65, feest houden, feestvieren, vroolijk zijn. Zie MLp., Doctr., Hildeg. Gloss.; Dram. Poëzie, 36. |
| Hof, -ve, znw. onz., VIII, 115, voorhof, voorplein. |
| Hoghemoet, znw. m., VIII, 244, vreugde, genot, evenals in Mhd. hôchgemüete, erhöhte stimmung, freudigkeit, frohsinn. Vooral in toepassing op het genot en de weelde van de min. Zoo op verschillende plaatsen bij benecke, Mhd. Wtb. 21, 261, aangehaald, als: ‘Diu freude kumt von wîben, diu den mannen hôhgemüete birt’, MS. 1, 30; ‘Dîn kiuscher lip gît wünne, berndez hôhgemüete, Walth. 27, 28. |
| Hoy, znw. onz., VII, 77, hooi; niet achten van eenen hoye, VIII, 31, er niets om geven, geen duit waard achten, eigenlijk niet zooveel als een sprietje hooi. Verg. Dr. de jager, Lat. Versch. 87. |
| Hoysch, bnw., V, 90, waarschijnlijk te lezen: hoegh, hoog. Hoysch, hoofsch, heusch, geeft hier geen zin. |
| Honen, ww., III, 11, 4; 19, 2, bedriegen. Zie huydec. op Stoke, 1, 95; LSp., Doctr., MLp., Hildeg. Gloss. |
| Honck, znw. onz., VII, 40, schuilplaats, eigenlijk verblijf-, woonplaats, huis. In de beteekenis van einde, eindpaal, komt het voor bij vondel 3, 603:
Zoo strecken 's vyands punten spooren,
Om 't Christelijck gemoed te noopen,
< |