[p. 6]
II
Verduurzaamd werd het leven heengeleid
Naar waar elk middel tegen aardsche kwalen
Gevonden wordt in volle wijnbokalen
En in een grootsch verstarde gulzigheid!
Terwijl de eters roerloos ademhalen, -
Vesting van buiken die de tijd niet splijt, -
Wordt er een parelende dronk gewijd,
Vereeuwigd naar de trant van godenmalen!
Maar vrouwen, die het schilderij bestaarden,
Schonken aan éen van hen een overwaarde,
In lief en leed en huis'lijkheid gegrond.
Figuur werd mensch, en maakte 't kunstwerk wond,
En uit die bres, geslagen in de drom,
Bloedde het leeg in ziekte en ouderdom.