[p. 7]
III
Zoo hulploos en onvoorbereid is nooit
Een vroolijk vendel in de dood gedreven.
De laatste steen is op de trom gegooid,
Tot doodendans vergooide zich het leven.
Lijkwit kaatst elk gelaat de strakgesteven
Kantkraag, door vrouwenhand zorgvol geplooid;
Duurt ook het maal nog, 't is met den aankleve
Van spokig schoon, waarmee 't verval zich tooit.
De schuttersmaaltijd werd tot tragedie.
Maar zóo licht laat zich een allegorie
Haar streng geijkte werking niet ontrooven.
Reeds heeft een genius snel en gevat
Een tweede stuk uit de museumschat,
Bloeiend van schutters, naar voren geschoven!