[p. 9]
V
Wie kent de zorgen van de kunstenaar,
Die voor geen verzelfstandiging mag zwichten
Van zooveel uiteenloopende gezichten,
Die 't bloeiendst licht niet gunnen aan elkaar?
Hij weet te goed: 't hoort tot zijn burgerplichten
Dat geen te kort komt van de afgunst'ge schaar;
Welk uitzichtlooze taak in dit misbaar
Zich naar wat hoort en naar wat moet te richten!
Maar gaandeweg, zuchtend onder de dwang
Van schutterlijke zelfzucht, vindt hij standen
Die hij nooit uit zichzèlf gevonden had.
En zoo verzoent hij 't kunstwerk met de stad,
En duldt als een bezegeling dier banden
De jubel van 't bevredigd lofgezang.