terug  begin  verder

[p. 10]

VI

 
Volmaaktheid onder 't maal: vereelte vingers
 
Die zich met uitgelezen druiven meten!
 
Met staat'ge praal zijn burgerpot te eten
 
Uit bronzen schalen tusschen bloemenslingers!
 
 
 
De lichamen, die in hun gansche breedte
 
Zich hoffelijk spitsen op niets geringers
 
Dan kostbare app'len, die men mededingers
 
Van weeld'rig vrouwenschoon zou kunnen heeten!
 
 
 
Waarom verbood de schilder zich die vondst:
 
Waarom moest juist dit vrouwenschoon ontbreken,
 
Waarzonder hoofschheid niet gedijen kan?
 
 
 
En kon men ruiken, tasten, met hen spreken,
 
Dan leverde het zweet der mannenbronst
 
En tuchtelooze praat 't bewijs hiervan.

terug  begin  verder