[p. 11]
VII
Dit schouwspel, dat zich aan de menschheid bood,
Is niet van helden en hun heldendaden:
Burgers, vol wrok en nijd om 't daaglijksch brood,
Die toegetakeld voor het voetlicht traden,
Zij geven in hun schaam'le maskerade
Voor 't nageslacht als voor de tijdgenoot
Te duidelijk hun diep're zin te raden:
De schoonheid stierf? Bij hén was ze altijd dood.
Geen mantelval, geen kantkraag en geen plooi, -
O slecht verbloemde wansmaak dezer gasten! -
Die eeuwen lang niet om bewond'ring riep
Uit hoofde van de droom die erop paste
En die grootmachtig uit het ledig schiep
Wat schijnbaar slechts ontleend was aan hun tooi.