terug  begin  verder

[p. 15]

XI

 
Verwezen zit hij bij hen, een misdeelde,
 
Die alles wegschonk, niets terugontving
 
Van toen hij in onstuim'ge worsteling
 
Met 't stijfbehaard penseel de bitt're weelde
 
 
 
Smaakte zichzelf te zijn. Nu sluit de kring
 
Zich, en het leven, dat het leven spéelde,
 
Dooft uit tot een herinnering aan beelden,
 
Waaraan hij roek'loos zich te buiten ging.
 
 
 
Een dronkaard, van zijn laatste geld beroofd,
 
Zit bij hen aan, als schutter uitgedost
 
Met 'n oude sjerp, een roest'ge hellebaard.
 
 
 
En brengt somwijlen éen hunner 't vermaard
 
Taf'reel ter sprake, niemand die gelooft,
 
Dat híj daarvoor zijn ziel heeft ingelost.

terug  begin  verder