[p. 18]
XIV
Nog pooverder dan stillevens is dit:
Een doorsnee door het slijk van het bestaan:
Kan iemand ooit ontroering ondergaan
Door schuttersvolk dat stil te staren zit?
Geef mij het beeld van Leda en de zwaan,
Die in de vlucht verleidt, in vlucht bezit,
En waar geen donk're lijven, saamgeklit,
De breede baan van een heel doek beslaan.
Zoo spreekt de kunstkenner, die in de kunst
Vanouds mythologie het hoogste plaatst,
Die burgerdeugden ruilt voor vrouwengunst,
En die vergeet, dat ook de blankste leden,
Geschaakt, omarmd, bemind naar godenzeden,
Tot slijk worden vertreden op het laatst.