[p. 25]
XXI
Een stovenzetster, schamel en vergrijsd,
Deelt in de goede werken hier op aarde.
Wordt door de warmte, die zij overspaarde,
Niet de onbluschb're stralenbron gespijsd?
Maar zoek die warmte na, zie wat zij baarde:
Een tochtwind over vloeren koud als ijs
Veegde de slotsom uit die wordt vereischt
Bij 't samenvoegen van de levenswaarden.
Alles vergaat, en ook de warmste voeten
Des winters worden haar niet aangerekend;
Geen engel zou haar na haar dood begroeten,
Belust op warmte, ware 't niet uit hoofde
Van 't kindertal dat hij heeft opgeteekend
En dat zij in haar éigen warmte stoofde.