terug  begin  verder

[p. 26]

XXII

 
Dit is de diepste band van allemaal:
 
De moeder, en het kind dat ouder wordt,
 
Dat krachtig wordt, terwijl zij welkt en dort,
 
Dat zelf verwelkt, en zoo haar achterhaalt.
 
 
 
Een ster en de aarde bindt éenzelfde straal,
 
Die stralend de oneindigheid bekort,
 
En Hero, die zich van de rotsen stort,
 
Vindt tòch Leander in het oud verhaal.
 
 
 
Maar als een moeder voor de Maaltijd staat,
 
Valt het haar zwaar in die doorvoede lijven
 
Haar drie bloedeigen kind'ren te herkennen,
 
 
 
Niet om de tooi, of 't baardige gelaat,
 
Maar omdat zij zich hier de tijd afwennen
 
En bij de stille wedloop achterblijven.

terug  begin  verder