terug  begin  verder

[p. 28]

XXIV

 
Wandelend door marmeren zuilengangen,
 
Zagen, onder warmer hemel, wijsgeeren
 
't Oorspronk'lijk Vendel af en aan marcheeren,
 
Waarvan de latere al hun glans ontvangen.
 
 
 
Wat Oostersch aangedaan misschien, behangen
 
Met bonter wapentuig en witter kleeren,
 
Maar zeer verknocht reeds aan de stadsbelangen,
 
Het paradeeren en het potverteren.
 
 
 
Plato zag goed: dit Vendel in de lucht,
 
Dit godd'lijk troepje, dat de toon aangaf,
 
Was waard van stonde af aan 't bevel te voeren.
 
 
 
Plato zag slecht, - want feilloos aangeblaft
 
Laten de vendels zich de mond dichtsnoeren,
 
En heerscht de Idee, het is met ijz'ren tucht!

terug  begin  verder