[p. 29]
XXV
Oud als de wereld, afgodisch te prijk,
Staat daar de Laars, met ijzerslag beslagen.
Daar waar hij stampt zullen de volk'ren klagen,
Daar waar hij omvalt valt een koninkrijk.
Geen man die voor zijn tooverklank bezwijkt
Die niet zal stampen tot het eind der dagen;
Men zwoegt, men vecht, men wil zijn leven wagen
Zoover zijn leergebonden donder reikt.
Maar oudgedienden weten te verhalen,
Dat niet een hoog ontwikkeld maatgevoel
Hen aan de klanken van dit schoeisel bond.
Beloften scheem'ren dwars door 't strijdgewoel,
En vóor de Laars zijn lauw'ren gaat behalen
Stampt hij de schoonste vrouwen uit de grond!