terug  begin  verder

[p. 30]

XXVI

 
In weerwil van de breedgerande hoeden,
 
De puntbaard en het glanzend zwart fluweel
 
Zijn 't geen Spanjolen, die zich gulzig voeden
 
Aan deze disch op 't schutterijtaf'reel.
 
 
 
Waardig en kalm, schoon onderling verdeeld
 
Wanneer de nering roept, vliegen de vroede
 
Vaad'ren elkaar niet brullend naar de keel,
 
Zoodra een vrouw haar geuren doet vermoeden.
 
 
 
Voor 't tweegevecht te lui, te vet voor 't minnen,
 
Is geen van hen van zins zijn vriendschap met
 
De gildebroeders op het spel te zetten.
 
 
 
Is 't leven rijk aan tegenstrijd'ge wetten,
 
Een schutter leeft maar naar die éene wet:
 
Men moet eerst eten om de strijd te winnen.

terug  begin  verder