terug  begin  verder

[p. 31]

XXVII

 
Hoe roerend stille eendracht onder 't kauwen
 
En nog eens kauwen, malen, knabb'len, bijten,
 
Terwijl de slokjes wijn bij 't keelgat pleiten
 
Zich voor de spijs nog wulpscher te ontvouwen.
 
 
 
Meer honger? Laat hen 't lichaam openrijten!
 
In 't neusgat is nog voedsel te verstouwen!
 
Waarom de kuische navel te vernauwen,
 
De aars slechts in éen richting te verslijten?
 
 
 
Walging wie 't leest, - walging wie 't voor zich ziet:
 
Die doode stof, en dat wellustig pogen
 
Om deze dood in 't leven te betrekken.
 
 
 
Al weet men 't ook zoolang men feestviert niet,
 
De saus, die rond de mondhoek in gaat drogen,
 
Zweemt naar de grauwe toon van lijkenvlekken.

terug  begin  verder