terug  begin  verder

[p. 33]

XXIX

 
De rots, waar de aartsengel geharnast prijkt,
 
Beheerscht een dal waar alle klokken luiden:
 
Een afgrond is in dubb'le zin te duiden
 
Naarmate men 't als God of mensch bekijkt.
 
 
 
Schijnbaar terneergeworpen in het slijk,
 
Wrijven zij de oogen uit bij die geluiden;
 
De Noordenwind waait hier voorgoed uit 't Zuiden,
 
En 't licht straalt uit een wolk die donker lijkt.
 
 
 
Hier wordt des morgens loeiend vee gemolken
 
Door de in de hel verbannen schuttersvolken,
 
Die in de hemel wand'len van hun waan.
 
 
 
't Rund, dat geslacht wordt, groeit terstond weer aan;
 
En welbereid, tuk op een schuttersmond,
 
Vliegen gebraden duiven in het rond!

terug  begin  verder