terug  begin  verder

[p. 34]

XXX

 
Geen magischer bezegeling dan 't ding
 
Dat wederkeert na tal van avonturen:
 
De schutters stonden nog voor and're vuren
 
Dan 't gloeiend smeden van 'n sonnettenring!
 
 
 
Zij werden zinnebeeld en hemeling,
 
Moesten critiek en spotternij verduren, -
 
Nu wordt hun roomblank volgehouden turen
 
Weer gaandeweg tot een herinnering.
 
 
 
Zij zijn te koop. De verf schilfert eraf.
 
Met mes of nagel kan men hen verminken.
 
Steeds doffer zal hun tafelzilver blinken.
 
 
 
Maar wat men níet vernietigt is de weelde,
 
Die hun bedreigd bestaan de dichter gaf,
 
Die mijm'rend hun onsterf'lijkheid verbeeldde.

terug  begin  verder