terug  begin  verder

[p. 39]

De doode zwanenaant.

 
De doode zwanen daar beneden
 
Roepen in vlagen klaaglijk schril
 
Naar wat in zijn kunstmaat'ge vrede
 
Het sterven niet aanvaarden wil.
 
 
 
Een waterval scheidt hun gebied
 
Van dat der levenslust'ge zwanen;
 
Het zijn dezelfde vijverbanen,
 
De een verduisterd, de ander niet.
 
 
 
Bij tijd en wijle wordt er één
 
Gegrepen door de waterval:
 
Een witte speelbal spoedt zich heen,
 
Die zijn gekrijsch niet baten zal.
 
 
 
De doode zwanen zwijgen dan,
 
Hoezeer zij anders roepen mogen;
 
Zij dragen vliezen voor hun oogen
 
En spelen zwemmend blindeman.
 
 
 
Maar dan, wanneer de nieuweling
 
Onder hun groep is opgenomen
 
En meezwemt in de schemering,
 
Wordt er die lokroep weer vernomen.
 
 
 
Is 't liefde's hunk'ring, of zijn zij
 
Afgunstig op 't ontbloeid bestaan,
 
De zwanen die zijn doodgegaan?
 
Het maakt hun zwemmen zoo onvrij,
 
 
[p. 40]
 
Zoo schrijnend, steeds die hals naar boven,
 
Steeds met hun aandacht bij het licht,
 
Steeds uit om and'ren 't licht te ontrooven,
 
En steeds arglistig de oogen dicht
 
 
 
Zoodra het krijschen zich doet hooren
 
Waarmee, ternauwernood verzwakt
 
Door 't dreunen van de cataract,
 
De stervenden de dooden storen.

terug  begin  verder