terug  begin  verder

[p. 41]

Het landschap van de doodaant.

 
Dit is een landschap dat zich stil kan houden,
 
Dat 's zomers met de winter voeling heeft;
 
De lente is er aarzelend, en 't gouden
 
Getij wordt er te diep, te zwaar doorleefd.
 
 
 
De hemel is er grijs, de mist te blauw;
 
En ied're boom is hol en bergt geheimen:
 
Geen gruw'lijke, waar men bij huiv'ren zou,
 
Maar 't allerzoetste, enkel maar te rijmen
 
 
 
Met vagelijk herinnerde afscheidsuren,
 
Waarover deze boom zich heeft ontfermd;
 
Zoo'n knoestig wezen laat de zuchten duren
 
En vormt een nis, die het geluid beschermt.
 
 
 
De vogels zingen schor, en vreemd gebroken,
 
Soms schuw ontbloeiend op een hoogste tak;
 
De kind'ren zijn van levenslust verstoken,
 
En geeft men aan een zwerver onderdak,
 
 
 
Dan worden zij onbruikbaar voor de school, -
 
Wit schilferend gebouw achter de linden, -
 
Omdat zij droomen waar hij heeft gedoold,
 
Langs landwegen, die nergens zijn te vinden.
 
 
 
En dan de slooten, zoo onpeilbaar stil,
 
Vol moede dieren, die de avond zoeken;
 
Een knotwilg, die zich niet meer spieg'len wil,
 
Bewaakt deze ontzenuwende uithoeken,
 
 
[p. 42]
 
Waar zelfs de tijd, die haastig voorwaarts gaat,
 
Zich inhoudt en verschrikt de last laat vallen
 
Der duiz'lig dooreengeweven jaartallen
 
En naakt tusschen het naakte rundvee staat.
 
 
 
Wel zijn er buitens, maar ziet hun bewoners:
 
Een zonderling, die kind noch kraai bezat,
 
Kent in de traag doorwaakte nacht niets schooners
 
Dan op te schrijven al wat hij vergat:
 
 
 
Vergetelheid is klaarder soms van zin
 
Dan wat ons heugt: hij kent de grond der dingen;
 
Daarom vergat hij ze, maar niettemin
 
Zijn zij hem nader dan herinneringen.
 
 
 
En dat is veel. Het heele landschap speelt
 
Zijn zinsverbijst'rend spel in die schrifturen;
 
En ieder ding is met een stem bedeeld,
 
Onstilbaar preev'lend in de avonduren
 
 
 
Van wat verging - wat bleef - wie kent 't verschil?
 
In dit behekst domein keert alles weer,
 
Sterft alles eeuwig wat niet sterven wil,
 
Leeft alles voort onder een nieuw beheer.
 
 
 
Soms, in een nanacht, schrijft de wind de woorden,
 
In 't handschrift van verdorde bladernerven;
 
't Klinkt als een zucht, die in de bladen smoorde,
 
Want zelfs de wind, de wind die moet hier sterven.

terug  begin  verder