[p. 43]
Lied
Het plechtige is steeds verwezen:
Een torenklok luidt sloomer voort
Naarmate men zijn hoop en vreezen
In die gerekte klanken hoort.
En 't riet, dat prevelt in de wind,
Laat als muziek meer steken vallen
Naarmate men 't aangrijpend vindt;
Het luistert niet naar maatgetallen
En slaat de ziel toch met meer recht
In boeien dan het vlug klavier,
Dit riet, dat niet veel anders zegt
Dan: weg van hier en weg van hier...
't Laat zich niet vangen, dit geluid,
Het breekt alleen maar muren open,
Het is een gat, waar men niet uit
Doch enkel in kan loopen.
En wil men er de bron van vinden,
Dan ruischt het in een and're sloot;
De doodsklok zelfs laat zich niet binden,
En waar hij luidt is niemand dood.
Want doodzijn is een optelsom
Van overschatte huislijkheden,
De rooilijn van de grauwe drom
Die zich op 't kerkhof komt vertreden.
[p. 44]
Zoodra zich van dit klein verdriet
De klokketonen meester maken,
Verstaat men zijn bedoeling niet:
Er ligt een ander onder 't laken,
Een ander, of wel iedereen,
Van wie de klokken loom verklaren,
Dat 't niet de moeite loont om éen
Van hen als grafschrift te bewaren.
Want wat is dood en wat is leven
Anders dan 't eeuwig op en neer
Dat hier in brons de lucht doet beven,
Dat voortluidt - voortluidt - altijd meer?
Aanvaard die eindeloze zang
Zonder de zin te willen lezen;
Wat men begrijpt dúurt niet zoo lang:
Het plechtige is steeds verwezen.