terug  begin  verder

[p. 45]

De stervende vlinderaant.

 
In 't bosch een blauwe vlinder
 
Bewoog door wind of dood;
 
Ik was de goede vinder
 
En werd door hem ontbloot
 
 
 
Tot op mijn fijnste nerven;
 
Zoo gaf hij mij mijn zin:
 
Reeds lang wilde 'k zien sterven
 
Zonder einde of begin,
 
 
 
In traag verval van krachten,
 
Niet fel of schoksgewijs,
 
Zooals de sfinxen lachten
 
Ver van het paradijs.
 
 
 
De vlinder lag te kant'len
 
In 't bosch door wind of dood;
 
Wie kon die steek bemant'len?
 
Daarvoor was het te groot,
 
 
 
Dit alles wat hij voorgaf
 
En wat hij toch niet was:
 
Onzekerheid der doodstraf,
 
Een marionet in 't gras.
 
 
 
Maar niemand dacht aan poppen
 
Bij dit klapwiekend blauw,
 
Dat zich niet kon verstoppen
 
Waar 't edel sterven zou,
 
 
[p. 46]
 
Dat daarom noodgedwongen
 
Nóg eed'ler zich gedroeg
 
Met de gracieuze sprongen
 
Waarmee het mij versloeg,
 
 
 
Waar niemand van kon raden
 
Wat of de oorzaak was:
 
De laatste levensadem
 
Of windgestoei in 't gras.
 
 
 
De dood stroomt in het leven
 
En stroomt er ook weer uit;
 
Daar gaat een vlinder zweven,
 
Eerst als de morgenbruid,
 
 
 
Dan als de zonnekoning,
 
In kleuren van de zee,
 
Dan naar de avondwoning,
 
Waarin hij stil ontglee.
 
 
 
Maar dit verstild ontglijden
 
Is zelf een eeuwigheid;
 
Niemand komt tusschenbeide,
 
Niemand heeft hem geleid,
 
 
 
En niemand kent seconden
 
Zooals ik heb bespied:
 
Een sterven zonder wonden
 
In 't helsche droomgebied
 
 
[p. 47]
 
Waar vlinders zijn als blaad'ren,
 
Waar blaad'ren zijn als steen,
 
Waar menschen zijn als raad'ren
 
En met de dood alleen,
 
 
 
En zinloos in die doodsstrijd
 
En voor de rest te kijk,
 
Niet eens maar in de schoonheid
 
Van 't blauwe vlinderlijk.

terug  begin  verder