terug  begin  verder

[p. 57]

Allegorieaant.

 
Een sigaret die opbrandt klimt
 
in flamboyante zwier ten hemel,
 
Waar hij, blauw engelengewemel,
 
Ontbonden langs de zold'ring schimt.
 
 
 
Stil en eenzelvig is die brand,
 
Bijna onaardsch reeds op de aarde:
 
Geen adem die de rook bezwaarde
 
Tot grauwe slierten langs de wand,
 
 
 
En zonder die kunstmaat'ge ringen,
 
Waarin de zielen, rond en zwaar,
 
In luisterrijke hemelvaart
 
Zich naar de zoldering verdringen.
 
 
 
Toch, eenmaal aan de mond ontstegen,
 
Dringt zulk een ring veel verder door
 
Dan 't stille zwieren, dat het spoor
 
Vaak bijster wordt op zijn dwaalwegen.
 
 
 
Met rook die van de lippen knalt,
 
Met oogverdraaien en gelooven
 
Wint men zijn vaste plaats daarboven:
 
Een koopman koopt wat hem bevalt.
 
 
 
Maar vóor zijn ziel, die opstijgt naar
 
De zold'ring, op succes mag hopen,
 
Zet God met spoed de ramen open
 
En blaast de ringen uit elkaar.
 
 
[p. 58]
 
Het Gothisch rankwerk wijkt dan uit
 
En danst gracieus in zonnestralen
 
Met zijn ogiven en fialen,
 
Eeuwig verzekerd van de buit
 
 
 
Die hém ontgaat: een strooien halm
 
Blijft stroo, al komt hij uit Havana;
 
Híj heeft geen deel aan het Hosannah
 
Met zijn berekenende walm.

terug  begin  verder