terug  begin  verder

[p. 59]

Berceuseaant.

 
Slaap, mijn omneveld kind,
 
Uw slaap is niet diep genoeg;
 
Gij leeft reeds in 't schrikbewind
 
Dat het bloed steeds door de aderen joeg
 
 
 
Met iedere schrik van het oog
 
Dat de wereld ontwaart als zij is:
 
Een vogel die overvloog
 
In de buitenste duisternis.
 
 
 
Zoo klein en zoo fijn als gij zijt
 
Vertoeft gij reeds in de tortuur
 
Der bedrieglijke duurzaamheid
 
Van het kwetsbare levensuur.
 
 
 
En zoo weigerend mild als uw mond
 
Deze doem op een afstand houdt,
 
Toch is ook waar gíj u bevondt
 
De valse schitt'ring van goud
 
 
 
En de klauwen der wedermin,
 
Het omarmen van ver en nabij,
 
Die ik nu maar voor u verzin,
 
Maar die sterker worden dan gij,
 
 
 
Zoo sterk, dat uw adeldom
 
Niet bestand zal zijn tegen de list
 
Waarmee 't hunkerend lijf langs een om-
 
Weg de eerloze worst'ling beslist.
 
 
[p. 60]
 
Slaap, diep omneveld kind,
 
Uw slaap is al haast te diep;
 
Gij zijt als mijn ziel, mijn kind,
 
Waar ik steeds tevergeefs om sliep
 
 
 
En die mij nu ook in dit beeld
 
Als een vluchtige adem ontgaat,
 
Want gij zijt in uzelve verdeeld,
 
Iets dat weg is en nochtans bestaat,
 
 
 
Iets dat rein is en nochtans schoon
 
Voor het oog dat die streeling begeert,
 
Iets dat diep in het lichaam troont,
 
Onverlost, en van meet af onteerd.
 
 
 
En wanneer mij uw lieflijkheid tergt,
 
Is mijn ziel gevonden en ver,
 
Als een man die zijn schatten verbergt
 
In het hol van de avondster.

terug  begin  verder