terug  begin  verder

[p. 61]

Feuilles mortesaant.

 
Een snik tot glimlach omgelogen,
 
Een rijkdom die oneindig schijnt:
 
Zoo zijn de blaad'ren die verdrogen
 
Tot kleuren als het licht verdwijnt.
 
 
 
En al dat goud om op te rapen
 
En heel die schaat'ring in 't azuur
 
Verwent het jaar voor het gaat slapen
 
Als een zachtzinnig vagevuur.
 
 
 
Er komt geen eind aan al die kleuren,
 
Zooals het bij elk afscheid is,
 
Dat weken lang staat te gebeuren
 
En dan nog talmt en langzaam is.
 
 
 
Dit zijn de ware schatten onder
 
De schatten van het sluw gemoed:
 
Het wankele van 't stervenswonder
 
Wordt door een levensrest gevoed
 
 
 
Die eeuwig lijkt en ons wil troosten
 
Met bonte onuitputtelijkheid, -
 
Al staat de stormwind op in 't Oosten,
 
De blaad'ren gunnen zich de tijd.
 
 
 
O wat een onzin van getrouwen:
 
Als vogels schuilend op een tak
 
Omklemmen zij met al hun klauwen
 
Dit allertijd'lijkst onderdak,
 
 
[p. 62]
 
Weinig bedacht op doodendansen,
 
Waarmee de boschgrond zich verrijkt,
 
Een spel met ongelijke kansen:
 
Zij vallen nimmer tegelijk,
 
 
 
En steeds zijn er nog hoog're bladeren
 
Die de allerlaagste gadeslaan
 
En niet gelooven in het naderen
 
Van wind en dwarr'ling en vergaan.
 
 
 
Men is haast bang ernaar te kijken;
 
O wanhoop van de laatste val:
 
Dit zijn de vele bladerlijken,
 
Maar dát is hij die doodgaan zal.
 
 
 
Het kan de diepste duiz'ling wekken,
 
De argloosheid van wat daar sterft
 
En wat door and'ren toe te dekken
 
Zich dubb'le adeldom verwerft.
 
 
 
Daarbij zoo sierlijk en gelaten:
 
Een nederwaarts gericht gebaar,
 
Dat wel geschiedt ten onzen bate
 
En voor de aandacht'ge wandelaar
 
 
 
De vlinder schept en 't zorgelooze
 
Van nieuwe bloemen uit de grond.
 
Tuur niet te lang naar al die rozen,
 
Zij zijn te diep in 't hart gewond.

terug  begin  verder