terug  begin  verder

[p. 63]

Boerderij bij Doornaant.

 
In deze hoeve heeft Napoleon
 
In achttienhonderdellef overnacht.
 
Het was een lentedag, lauw, zonder zon:
 
De oude bode, die berichten bracht
 
Langs de oude postweg, waar het dorp aan lag,
 
Zweette zoo erg dat hij 't niet harden kon.
 
 
 
De kleine kamer waar de keizer sliep
 
Was stoffig en bedompt en rook naar kamfer.
 
Er was een haan die voor zijn venster riep;
 
De keizer uitte zich hierover schamper:
 
‘Le coq gaulois!’ - men zegt, dat hij slecht sliep
 
Die nacht, door 't eerste knagen van de kanker,
 
 
 
Waaraan hij in de vreemde sterven zou...
 
De dorpelingen vreesden hem maar matig;
 
Zij vonden hem te dik, zijn blik te flauw,
 
't Gevolg te klein, - de wacht liet, zeer nalatig,
 
Hen veel te dicht bij 't witgekalkt en statig
 
Door Frankrijk overwapperde gebouw.
 
 
 
Die witte vesting staat nog steeds gegrond:
 
Een vesting waarlijk, waar de bleeke keizer
 
Voor de allereerste maal 't beleg doorstond
 
Van angst en pijn in plaats van kruit en ijzer,
 
En aan 't onmerkbaar kruipen van de wijzer
 
Bij 'n flakkerende kaars de dood verstond.

terug  begin  verder