terug  begin  verder

[p. 67]

Grieksche zuilenrijaant.

 
Uw smetteloos verrijzen
 
In 't bondige azuur
 
Laat zich in beeld bewijzen,
 
In wezen en in duur, -
 
Maar niet in de verschijning,
 
Maar niet in uw omlijning:
 
Uw trots, die de verdwijning
 
Van zooveel brokken schond.
 
 
 
Uw vormen brengen spleten
 
Neerbliksemend in 't nauw,
 
Doorknaagd als een geweten,
 
Gepleisterd als een vrouw;
 
Terwijl de wilde schapen
 
Hun distels in u rapen,
 
Slaan ze u het laatste wapen
 
Als tempel uit de hand.
 
 
 
O tanden der titanen,
 
Gij brokkelt langzaam af;
 
Gij maalt maar van vergane
 
Roemruchtheid buiten 't graf;
 
Gij bijt in alle wolken,
 
Gij knarst van doode volken, -
 
Gij glànst, om te vertolken
 
Dat toch uw zíel nog leeft!
 
 
[p. 68]
 
Maar die dan ook zoo zuiver
 
Dat niemand twijf'len mag,
 
Zoo edel diep doorhuiverd
 
Van 't onbegrensd gezag
 
Der goden die u dreigen
 
Nòg toomloozer te stijgen:
 
De blankheid aan u eigen
 
Is nieuw voor hen en ons!
 
 
 
Gij zijt de ware heler
 
Van diefstal door de tijd,
 
De grootst gemeene deeler
 
Der onvergank'lijkheid;
 
De zaden mogen stuiven,
 
De eikenkronen wuiven,
 
Gij zijt nog als de duiven
 
Zoo wit en streng en schoon.
 
 
 
Welaan, ik sluit mijn oogen:
 
Dit geometrisch vuur
 
Wil zelfs geen blik gedoogen
 
Waarmee ik hooger tuur
 
Dan 't helmgras voor mijn voeten,
 
Waarover schimmenstoeten
 
Het heiligdom begroeten,
 
Zoo feest'lijk als voorheen!

terug  begin  verder