[p. 74]
April
De eerste knoppen zijn al voorbereid:
Zij zwellen zooals ook de meisjes zwellen
Van weelde na die lange wintertijd
Dat 't hart zich nog niet open wilde stellen.
Straks zal hen wel een jonkman vergezellen;
En 't groeit heel snel, om 't even of men vrijt
Of dat men niet vrijt, - niets is te voorspellen,
Geen knop die ooit zijn zondeval belijdt!
Liefde doet wat zij wil: de smalle dijken,
De wegen en het eenzaam heidepad,
Zij staan vol knop tegen de avondval.
En zelfs de stad - die men vaak onderschat -
Zoemt van het vrijend volk, dat neer gaat strijken
En zwelt en breekt dat het hen heugen zal!