[p. 76]
Juni
De maand is uitgebalanceerd en snel
En jong en snaat'rend als een eendenkom;
De nachten zijn te kort en noord'lijk hel
En kant'len makk'lijk naar de ochtend om.
Dit is het ergst: men kent die nachten wel,
Dat men zich wentelt om en om en om
In 't lauwe bed, terwijl een Turksche trom
Van verre kermissen de zielsrust kwelt.
Alles in bloei, en alles hangt te bengelen
En daagt de zwaartekracht uitbundig uit
En vliegt en zweeft en doet wat 't niet kan laten.
En wie des nachts een draaiorgel hoort jengelen
Droomt kort en bondig van de acrobaten
Die, vallend, door een koord worden gestuit.