terug  begin  verder

[p. 78]

Augustus

 
De warmste dag, en dit merkwaardig korten
 
Der dagen, waar de dood de hand in heeft,
 
De dood van 't jaar, die zich nog op wil schorten,
 
Doch reeds in koop'ren donderkoppen beeft.
 
 
 
En als de hondsdag ons het graan niet geeft,
 
Dan komen onverhoeds de ijscohorten
 
Van koning Winter grijnslachend en scheef
 
Zich op het onbeschermde bouwland storten.
 
 
 
Een grijsaard, heet en geil, verwarmt zijn leden
 
Aan de eigen brand, en brandt geweldig op,
 
Met heel zijn toekomst saamgeperst in 't heden.
 
 
 
Maar als hij met zijn malsche prooi terneerligt,
 
Slaat hem de hitte, en op zijn kale kop
 
Buigen de laatste halmen onder 't weerlicht.

terug  begin  verder