terug  begin  verder

[p. 79]

September

 
O koel getij, de maagd is u gewijd,
 
Maar gij zijt maagd'lijk als een lappendeken:
 
Verschoten, opgesierd en nooit gevrijd;
 
Want nu is wel de laatste kans verkeken
 
 
 
Voor oude vrijsters, die in de avondtijd
 
Voor buurbezoek de dorpsweg oversteken,
 
De opgenomen rok om 't been gevlijd
 
En om de maag're heupen gladgestreken.
 
 
 
Een moede maand, een wachtend land; de koeien
 
Staan 's avonds in het zilv'ren nevellicht,
 
En al het werk op de akker is verricht.
 
 
 
Men ziet geen boom in bloei, geen vlinder stoeien,
 
En waar de oogst tot schoven is gestoeld
 
Is alles zwijgzaam en reeds afgekoeld.

terug  begin  verder