[p. 81]
November
Voorlaatste maand, bijna de Benjamin,
En zoo veelvervig als een Jozefsrok, -
Ook Jozef moest de donk're groeve in,
Waar hem de ijverzucht der broeders trok, -
Gij hebt in u iets van een zondebok,
Maar ook iets van een heugelijk begin;
Gij zijt de wijn, de lust, de laatste slok, -
Neen, de vóorlaatste: en dat is uw zin.
Al wat nog niet gestorven is mag leven
In deze rijke dubbelzinnigheid,
Die zich als luchtspieg'ling voor 't einde plaatst.
Geen aarzeling deed Abrams slachtmes beven,
Maar 't weten: al wie zich gelaten kwijt
Van 't vóorlaatste bewaart zijn God voor 't laatst.