terug  begin  verder

[p. 82]

December

 
Gehuld in mantels schrijdt het jaar naar buiten,
 
Stromp'lend en oud, door 't huisgezin beklaagd,
 
Zijn ooren schuil achter de mantelkraag,
 
Waaraan vanzelf reeds vlokken sneeuw ontspruiten.
 
 
 
Hij spreekt: ‘Vóor mij het offer wordt gevraagd
 
Buiten 't gezin vrijwillig mij te sluiten
 
Blaas ik wat dunne ijzel op de ruiten,
 
Niet als een antwoord, maar als wedervraag.’
 
 
 
Vraag, vraag in uw wanhoop eindeloos voort,
 
O maand, die de last van 'n heel jaar moet dragen,
 
Vreugde en leed van twaalf maanden tezaam.
 
 
 
Elk streepje tijd schetst gij waar het behoort:
 
Het zet zich vast als ijzel op het raam
 
En smelt tot 't Niets van jaren, maanden, dagen.

terug  begin  verder