terug  begin  verder

[p. 85]

Grieksche sonnettenaant.

[p. 87]

I

[p. 89]

Scylla en Charybdis

 
Bezongen, hoeveel malen, in 't gedicht,
 
Rhetorisch wisselspel van zee en land,
 
Verkregen zij als tot een godsgericht
 
Dier kleine wereldzee de overhand.
 
 
 
Gesplitst was weldra ieder zeegezicht
 
In klip en kolk, en de matroos in 't want
 
Was op die dubb'le peiling afgericht
 
Als op zijn rechter- en zijn linkerhand.
 
 
 
Die vloed van aantijgingen gaf de stoot
 
Tot 't uitrusten van een ontdekkersvloot,
 
Die vóor de herfststormen terug moest zijn.
 
 
 
Maar het gevaar bléef in het mensch'lijk brein:
 
Het veelbelasterde ultramarijn
 
Was rimpelloos, en gaf zich nergens bloot.

terug  begin  verder