terug  begin  verder

[p. 91]

Orpheus en Eurydiceaant.

 
Toen hem de steenen en de wilde dieren
 
Verveelden met hun schorre loftrompet,
 
Wou hij een vrouw met zijn gezang bestieren
 
En ruilde de natuur voor 't bruiloftsbed.
 
 
 
Zijn nieuwe liefde won het van de lier en
 
Wanneer hij speelde, - zelden, - was het met
 
Die ijd'le acht'loosheid bij 't feesten vieren,
 
Waar noob'ler kunst het bloeien wordt belet.
 
 
 
Het vonnis: dat hij deze vrouw moest missen,
 
Werd zeer verzacht, doordat hij uit de hel
 
Haar zonder om te kijken halen mocht.
 
 
 
Hij ging haar voor, al spelend op zijn tocht,
 
En keek tòch om, om zich te vergewissen
 
Van haar bewond'ring voor zijn snarenspel.

terug  begin  verder