terug  begin  verder

[p. 92]

Marsyas

 
Hij was geen snoever en geen ijdeltuit,
 
Maar daagde Apollo uit alleen omdat
 
Hij zich steeds ver van hem gehouden had
 
En in zijn stem 't verterend godsgeluid
 
 
 
Nooit had geduld, noch op zijn kunst'naarspad
 
Die streng wijzende hand, noch in zijn fluit
 
Dat vreemde zuchten, dat de grens beduidt
 
Voor wie zichzelf liefst onvermengd bezat.
 
 
 
Vertrouwd ook met de diepste kunst'naarskwalen,
 
Bestreed de god hem niet als een gevaar,
 
Maar trof hem slechts met zijn alziende stralen.
 
 
 
Toen - om zichzelf te zijn - trok hij zijn huid,
 
Dat goddelijk bezoedeld schandkleed, uit
 
En bloedde naakt en stierf als kunstenaar.

terug  begin  verder