terug  begin  verder

[p. 95]

Leda en de zwaanaant.

 
De vijver had hij zelf gekozen, maar
 
De snit van hals en vleugels liet hij over
 
Aan 't toeval van de zoete liefdestoover.
 
Aan de bevreemdheid van een zwanenpaar,
 
 
 
Dat met hem meegleed, aarzelend, tot waar
 
Hij op de oever klom als vrouwenroover,
 
Zag hij maar al te goed: zij waren grover,
 
Veel grover dan de witte wandelaar.
 
 
 
Zoo schoon was hij als zwaan, zoo vreemd vervoerend,
 
Dat zij, hem op haar legerstee beloerend,
 
Een zwaan wenschte te zijn die hem ontving.
 
 
 
Als bronstig manslijf lag hij in haar armen,
 
Ongodd'lijk zweetend, en zonder erbarmen
 
De droom vermoordend die zij onderging.

terug  begin  verder