terug  begin  verder

[p. 99]

Ganymedesaant.

 
Toen hij voor 't eerst de beker in moest schenken,
 
Naakt en berooid nog na zijn arendsvlucht,
 
Verwarden hem van meet af aan de wenken
 
Der oud're dienaren, en zeer beducht
 
 
 
Hun lang gewende dienstbaarheid te krenken,
 
Boog hij zich onder die denkbeeld'ge tucht,
 
Niet wetende wat van hun blik te denken
 
En van dat voortgefluisterde gerucht:
 
 
 
Wie was hier schoon? Wie zou hier de eerste zijn?
 
Wie was de jong'ling die door God geschaakt was?
 
De zaal gonsde ervan. Hij bracht de wijn,
 
 
 
Beefde en morste, en zag de borstelbrauwen
 
Van vader Zeus zich spiedende vernauwen,
 
En bloosde, en schaamde zich omdat hij naakt was.

terug  begin  verder