terug  begin  verder

[p. 101]

II

[p. 103]

Proteus

 
Lang moet men zwoegen voor men hem betrapt;
 
Men moet in 't water gaan, en zijn gelijke
 
Worden, en hem scherp in de oogen kijken:
 
Tien tegen éen dat hij dan nog ontsnapt
 
 
 
Door naar een verre zandbank uit te wijken;
 
En als hij in zijn tegenstand verslapt,
 
Ontkomt hij aan de plicht van 't zienerschap
 
Door op éen van zijn robben te gaan lijken.
 
 
 
O Proteus, 'k laat u liever als de golven
 
Met al uw robben uit mijn oogen gaan
 
Dan dat 'k van ú de toekomst hooren moet:
 
 
 
Geen and're toekomst golft er in uw bloed
 
Dan die steeds door zichzelf weer wordt bedolven
 
En die niet reikt tot 't strand van het bestaan.

terug  begin  verder