terug  begin  verder

[p. 105]

Het vat der Danaidenaant.

 
Toen zij gestorven alle vijftig waren, -
 
Men sterft zelfs in de hel, - toen bleef het vat,
 
Doorzeefd, verroest, en moe van hun gebaren,
 
Aan 't einde staan van 't platgetreden pad,
 
 
 
Waar 't zooveel water doorgelaten had,
 
Dat de Acheron na tal van marteljaren
 
Zichzelf ontmoette en door de doodenstad
 
Emmersgewijs geheel was heengevaren.
 
 
 
Nu blijft het pad verlaten; en 't vat roestte
 
Steeds verder; en het roest groeide in de gaten;
 
En zóo volkomen werd de zeef gedicht,
 
 
 
Dat soms een schim - schim van een schim - de noeste
 
Arbeid hervat in 't schuwe schemerlicht
 
En 't vat volgiet dat niets meer door kan laten.

terug  begin  verder