[p. 109]
Danaë en de gouden regen
De dagen door waren haar droomen goud
Omrand in 't duister van haar kerkerstraf;
O eenzaamheid: wat anders 't zonlicht gaf
Werd stralender van binnen uit aanschouwd
Dan ooit in 's werelds bloei; een tooverstaf
Sloeg gulden bloemen uit de grond: vertrouwd
Taf'reel, maar feller brandend in dit graf
Waar zij haar weelde zocht uit zelfbehoud.
Terwijl in 't voorvertrek de oude vrouw
De stukken goud op haar vingers natelde,
Werd heel haar hemel licht en goud en blauw.
De god boog over, zocht haar op de tast,
Bloem die een bloem ter paring vergezelde,
En barstte als stuifmeel in haar donk're kast.