[p. 111]
Niobe's klacht
‘Werden mij zeven docht'ren, zeven zonen
Alleen ontnomen omdat zij bestònden?
Want mijn gesnoef was slechts in náam de zonde,
Er is geen god die dit met moord zou loonen!
Van de aanvang af was Leto's eer geschonden
Doordat ik haar het zevenvoud kon toonen.
Maar laat, o machten, mij nu waarlijk hoonen:
Zeven is zeven, - menschen, goden, honden!
Vergeef uzelf, Apollo, dat uw pijlen
Om een getàl door 't luchtruim kwamen ijlen;
Zeven is zeven, - zeven maal zooveel!
Vergeef uzelve, Artemis, dat 't gillen
Van veertien kind'ren slechts uw wraak kon stillen;
Ja, veertien, veertien, - en het beste deel...’