terug  begin  verder

[p. 113]

Hebeaant.

 
Zoo hooge afkomst, en zoo need'rig werk,
 
Gewijd aan schotels gansch in goud gedreven:
 
O jongste spiegel van het godenleven,
 
En in die jeugd zoo zeker en beperkt.
 
 
 
Want jeugd is als een schild zoo glad en sterk,
 
En ied're kras erop wordt weggewreven;
 
Haar roerloosheid kent slechts dit eene streven:
 
Enkel door Zeus te worden opgemerkt.
 
 
 
Zij diende, en zelfs haar huw'lijk ging voorbij
 
Als letter op een onbeschreven blad
 
Waaruit geen volle volzin wordt geboren.
 
 
 
Voortaan zou zij bij Herakles behooren,
 
Naast wie zij vreemd en ver te pronken zat,
 
Een waakzaam oog op 't blinkend eetgerei.

terug  begin  verder