[p. 119]
De roof van Kerberos
Om schuld te boeten doodde hij zooveel
Aan monsters: leeuwen, draken, waterslangen,
Dat hij zich met hun tanden kon behangen
Ter pantsering van ieder lichaamsdeel.
Maar toen het ging om Kerberos te vangen,
Springlevend en met ongeschonden keel,
Voelde hij zich als held op een tooneel
Verlevendigd met dwaze satyrzangen.
Hij was onwennig. En het bleek een spel
Dat alles van zijn heldenkrachten vergde:
Zoo spart'lend was het monster en zoo woest.
Pas toen de hond boven vrij rondliep, tergde
Hem 't raadsel of hij hem nu dooden moest
Of weer terug moest brengen naar de hel.