[p. 123]
Semele's dood
Geen vrouw ziet ooit haar minnaar als hij is:
Hij is een groot en wervelend phantoom,
Een reuzenrad, waarvan haar kleine droom
Eén stand omlijst, en al het and're mist.
Zoo wentelt hij door haar gevangenis,
En knarst en slijpt over haar kleederzoom,
Maar nimmer zal in haar eenzelvig vroom
Opblikken zij hem vatten als hij is.
Alleen de god kan zich soms openbaren
In zijn geheel. Tot maat'ging niet bij machte
Komt hij dan monsterachtig aangevaren,
Brandt door haar kleed, en maalt en slijpt haar stuk,
Onwetend, zelfs als god, van al die nachten
Dat zij een deel van hem borg in 't geluk.