terug  begin  verder

[p. 125]

Klytemnestra's klacht

 
‘Hoor ik mijn kind'ren achter zuilen hijgen?
 
En welke vloek wordt in hun mond gesmoord?
 
Alleen omdat 'k hun vader heb vermoord,
 
Durven zij mij met bloedwraak te bedreigen!
 
 
 
Maar voor de zwakken is 't gemompeld woord
 
Reeds daad, - geen bloed zal van hun handen zijgen;
 
Vonden zij mij in 't bad, mijn dood'lijk zwijgen
 
Joeg hen als naaktgeschoren lamm'ren voort.
 
 
 
Geef mij de furiën, - een beul - een vijand:
 
Al waarin 't wreed geweten zich vermomt,
 
En niet een jongen, die bloost en verstomt.
 
 
 
O wraak, ontdoe u van hun schaam'le bijstand:
 
Zoolang Orestes bij zijn dolken huivert,
 
Voel 'k mij onschuldig en voor God gezuiverd!’

terug  begin  verder