Doorn 2-6-'43
Beste Theun,
Je boek stuurde ik nog niet, omdat ik er de cahiers van Iersche Nachten bij wil voegen, die in de loop van de volgende week klaar zullen zijn. Ik heb namelijk de geheele tekst nog eens aan een revisie onderworpen, en alle veranderingen ook in de cahiers aangebracht, hetgeen de leesbaarheid niet ten goede is gekomen, maar misschien kun je je daar overheenzetten. Als je de cahiers een week of twee drie houd, houd ik de copy zoo lang hier; daarna stuur ik hem naar de uitgever.
Je pessimistisch-realistische bespiegelingen over ons cultureele lot hebben ook mij aan het peinzen gebracht. Dat West-Europa's rol uitgespeeld is, geloof ik ook; alleen lijkt dit mij niet zoo verschrikkelijk tragisch, omdat er na de oorlog een veel intensiever cultureele uitwisseling zal zijn dan vroeger (en indien dit niet zoo is, kunnen we alleen maar zeggen, dat de oorlog nog niet geëindigd is!). Natuurlijk worden wij een kolonie of invloedssfeer hetzij van Amerika hetzij van Rusland, maar vroeger waren wij dit (cultureel gesproken) van Engeland, Frankrijk en Duitschland, zoodat alleen de grenzen ietwat verplaatst zijn, en dat maakt practisch geen verschil. Dit dan wat de eerste tientallen jaren na de oorlog betreft; over een paar eeuwen zal er allicht een soort eenheidscultuur ontstaan zijn (na eenige nieuwe wereldoorlogen), waarin Aziatische en Amerikaansche invloeden om de voorrang strijden. Ik moet je bekennen, dat het mij dan allang niet meer schelen kan. Trouwens, ook wat er vlak na de oorlog gebeurt zal ik niet al te ernstig opvatten. Cultureel krijgen we hier in Holland een groote smoel van Den Doolaard, Fabricius, Donkersloot en Asselbergs; cultureel is daar niet tegen op te tornen; dus cultureel houd ik mijn smoel dicht, en werk alleen nog maar. Dat is mijn plan tenminste; er kunnen zich natuurlijk allerlei omstandigheden en constellaties voordoen, die mij van plan doen veranderen; maar eigenlijk geloof ik dit niet; d.w.z. eigenlijk geloof ik, dat wij na de oorlog in een brei van grootspraak, leuzen, probeersels en algemeene impotentie zullen verzinken, - wij, zonder ‘wij’ natuurlijk, d.w.z. jij en ik! Niet meedoen, kerel! Nooit meedoen! Non-cooperation! Maar zoo, dat de anderen denken, dat je een aardig kereltje bent om mee samen te werken. Dat is werkelijk de eenige manier om je dat tuig van het lijf te houden. Ik bedoel hiermee niet alleen het Hollandsche cultureele tuig, het verschijnsel is internationaal en eeuwig, maar we hebben waarschijnlijk alleen met Holland wat te maken, tenzij alle Hollanders in Duitschland zijn verdwenen, tengevolge van de arbeidsinzet. Nu, dan worden we eens vertaald, en krijgen een groote smoel van Amerikanen of Russen, hetgeen veel aangenamer is, aangezien ik geen Russisch ken, en Amerikaansch ook niet al te best. Verhongeren zullen ze ons heusch niet laten doen, en dan mag je als kunstenaar je beide handen al dichtknijpen. Overigens heb ik iets meer fidutie in de Amerikaansche ‘scheppingskracht’ dan jij; hetgeen niet beteekent, dat ik je visie op de Amerikaansche cultuur onjuist vind, maar de zaak is veel gecompliceerder, - wat je natuurlijk net zoo goed weet als ik. En ik geloof bepaald niet, dat een bevrijding van de arbeidersklasse automatisch tot het ontstaan van be-
langrijke, of zelfs maar interessante kunst moet leiden; tenzij je de jonge arbeiders onmiddellijk iets anders geeft om tegen in opstand te komen; dan zal er misschien eens een of andere begaafde dwaas zijn, die uit nijdigheid een goed boek schrijft. Over het vermoedelijke lot van de literatuur hebben we trouwens vroeger al eens gecorrespondeerd, als ik mij wel herinner. Tenslotte moet ik je nog zeggen, dat het mij een genoegen deed te lezen, dat je je geheel verbonden voelt aan de Westersche cultuur. Dit lijkt mij een zeer reëele houding. We hebben nu eenmaal alles aan deze stervende en eerlang gestorven cultuur te danken, we kunnen, - en kunnen niet ánders - het zaakje dus trouw blijven, tot het bittere einde. En och, waarom zou dat einde zoo bitter zijn? Als ik voor mij het gevoel heb, later, de Hollandsche romanliteratuur - die tenslotte nog in haar kinderschoenen staat, dus nog erg nieuw en jong is! - een beetje ‘verrijkt’ te hebben, ben ik dubbel en dwars tevreden; en dan kan het me koud laten wat de Russen of de Amerikanen daarvan zeggen (d.w.z. de Russische en Amerikaansche Den Doolaards etc., want dat zijn de eenige van wie je over deze onderwerpen wat zult kunnen hooren; de anderen hebben het te druk met hun eigen werk en worden evenzeer door de tamtam gehinderd als wij híer).
Ja, Somerset Maugham is een aardige kerel; duidelijk tweederangs; maar uiterst leesbaar en van een prettige cynische mentaliteit. Cakes and Ale is zelfs misschien wel eersterangs; je moet dat toch eens lezen, als je het nog niet kent. Met mijn lectuur ben ik weer in de 20-ste eeuw verzeild geraakt, hetgeen me toch eigenlijk beter bevalt dan de 19-e, op den duur. Ik kreeg opeens zoo genoeg van Bleak House - hoewel ik het heelemaal uitgelezen heb - dat ik op Der Prozess van Kafka aangevallen ben en nu met Le Grand Meaulnes bezig ben. Kafka vind ik nog steeds ongelooflijk goed en bepaald opwekkend zelfs, hetgeen misschien gek klinkt.
Nu, kerel, het wordt tijd, dat ik mijn logorrhoe stop; men komt van het eene in het andere. Laat in elk geval nog eens wat hooren, en ik hoop dat de Iersche Nachten je oogen op een niet al te zware proef zullen stellen.
Met hartelijke groeten, ook van Ans, van je
Simon.