terug  begin  verderprepost

59

Doorn 6-8-'43

Beste Theun,

Je brief deed mij veel genoegen, vooral door de waardeering voor I.[erse] N.[achten] die erin tot uiting komt. Ook ik geloof, dat dit mijn beste nietcontemporaine roman is, met bovendien (voor mijzelf) het voordeel, dat er, minstens technisch, een zekere aansluiting is gevonden met de contemporaine romans van min of meer ‘autobiografische’ strekking, welk procédé ik niet ‘verleeren’ moet. Overigens beschouw ik zelf deze roman als voor verbetering vatbaar op verschillende punten, o.a. de figuur van Peter Mc Carthy, die in zijn latere evolutie ineens veel te intelligent is, zonder dat men weet waar dit ‘vandaankomt’. Ook die juffrouw Maureen had wel wat meer uitgewerkt kunnen worden. Ik ben blij, dat je het laatste deel appreciëert, het eenige waar ik voluit tevreden over ben. Inderdaad is dit optreden van de ‘afwezige’ de kern van het boek, óok voor mezelf, en wint het van de ‘Keltische’ sfeer en de sociale achtergrond, die achteraf gezien niets anders dan middelen zijn om de dramatische botsing voor het slot voor te bereiden. Overigens is van die beide andere factoren natúurlijk het sociale belangrijker; ik ben dit niet alleen ‘achteraf’ met je eens, maar was hier ook tijdens het schrijven volledig van overtuigd. Ik had mij zelfs met een aanzienlijke portie sociaal ressentiment geladen, en dit verving bij tijden de (tijdelijke) lading met ‘mystiek’ volkomen! Stel je overigens gerust: ik ‘geloof’ niet in deze zaken, en heb het ‘subjectieve’ ervan meen ik voldoende doen uitkomen (niet te veel, om de sfeer niet te verpesten!). Trouwens, de ‘ik’ gelooft er óok niet erg in, van Peter M.Carthy mag men aannemen, dat zijn optreden voor 80% op comedie berust om wraak te kunnen nemen op Farfrae en diens zoon. Dat hij een Iersche godin of heks zegt te zien, is opzettelijke pesterij (en zelfspot). Farfrae wordt dan inderdaad door de ‘vloek’ getroffen, maar dat is toeval; of in zooverre géen toeval, dat iemand die aan zulk een ‘vloek’ blootstaat, een groote kans maakt aan andere onaangenaamheden bloot te staan! En de moeder aan het slot is bezig krankzinnig te worden. En Maria en Peggie drijven óok nu en dan de

[p. 80]

spot met hun eigen ‘bijgeloof’, - in hoeverre dit ‘historisch’ te verantwoorden is, laat ik in het midden. Een dgl. paradoxale verhouding tot het bovennatuurlijke lijkt mij anders wél echt Iersch, - comedianten en spotvogels als het zijn. De man, die in die tijd in Ierland prehistorische pijlpunten ‘vervaardigde’ en ze aan de Engelsche toeristen verkocht, zal misschien óok wel eens gedacht hebben, dat er aan die pijlpunten ondanks alles iets bijzonders zou kunnen zijn ... Alles bij elkaar dus een soort ‘psychologie van het bijgeloof’, in verschillende gradaties; maar de lezer moet dit niet voortdurend weten, hij mag gerust denken, als het zoo eens uitkomt, dat de schrijver er wel degelijk in gelooft! En tot zekere hoogte ‘gelooft’ men er tijdens het schrijven ook in, met zijn meer primitieve zielslagen, of hoe je het noemen wilt; zooals men in sprookjes ‘gelooft’, d.w.z. zonder verdere consequenties. Een andere vraag - die nu misschien bij je opkomt - is of een schrijver niet verplicht is open kaart te spelen en min of meer ‘Aufklärerische’ arbeid te verrichten. Ik heb hier algemeen gesproken niets op tegen; maar dan zou men, als schrijver, ook overtuigd moeten zijn van het volstrekt schadelijke van bijgeloof, mystiek, religie voor de menschheid, en dit ben ik niet. Ik ben voor mijzelf heel tevreden, dat ik deze zaken doorheb, maar heb daarnaast een open oog voor de m.i. onuitroeibare behoefte aan het ‘bovennatuurlijke’ bij een belangrijk deel van onze medemenschen. Ontneem je deze lieden het daarvoor bestemde ‘natuurlijke’ voedsel, dan wordt het nog veel erger; dan gaan ze b.v. in Blubo gelooven, of in een ‘leider’, of wat dan ook, - dingen die voor het verstand veel minder onaanvaardbaar zijn dan b.v. de onbevlekte ontvangenis. Maar ik heb liever met iemand te doen die in dit laatste gelooft dan in die andere dingen. Het lijkt ‘eerlijker’, - de man is nu eenmaal zoo stom, waarom hem deze onschuldige bevrediging te ontnemen? Een belangrijk argument tegen deze zienswijze is natuurlijk, dat men van te voren nooit weet hoe stom iemand is; en dat het nog veel en veel erger is iemand het geloof in de onbevl. ontv. op te dringen die van nature bestemd is om alleen maar in de logica te gelooven. Enfin, aan dit probleem zit nog wel wat meer vast ...

Dit brengt mij op je Babylonische roman, waarin ik af en toe lees. Ik geloof, dat deze roman, als literair werkstuk, als epos, vooral geslaagd is in de groote lijnen, de ‘constructie’ in de ruimst mogelijke beteekenis; iets minder misschien in de ‘factuur’, - de vormgeving van bladzij op bladzij. Maar dit is het ‘epos’ nu eenmaal van nature eigen, het is dus niet als aanmerking bedoeld, of hoogstens van uit mijn eigen ‘subjectiviteit’. Ik kan mij vergissen, maar heb sterk de indruk, dat dit boek met minder ‘plezier’ geschreven is dan b.v. De Tegels . Maar eenmaal dit geconstateerd hebbende, kan ik niet anders dan een zeer groote bewondering voelen voor de wijze waarop je deze buitengewoon moeilijke stof verwerkt hebt, en ik kan mij gemakkelijk een lezer voorstellen, die iets minder ‘analytisch’ (of beter ‘detailleerend’) leest dan ik en die dit boek als je chef d'oeuvre beschouwt. Binnen de grenzen van deze opzet, deze literaire frescokunst, waarin het détail vaak opgeofferd wordt aan de gang van het verhaal, kun je het, geloof ik, als volkomen geslaagd beschouwen. Trouwens, er zijn genoeg passages, die ik óok om henzelf appreciëer, maar dat is meer een kwestie van literaire détailcritiek, en

[p. 81]

daar waag ik me nu maar niet aan! Een tweede ‘subjectieve’ reactie van mij heeft betrekking op het ‘tendenzieuze’. Hierbij laat ik geheel in het midden of een dgl. sociale strijd, bewust gevoerd, vanuit een algemeene idee van rechtvaardigheid, in die tijd en onder dat volk denkbaar is. Wanneer men naar anachronismen gaat zoeken, blijft er van geen enkele historische roman een spaan heel! Bovendien heb ik de indruk dat je in alle ándere opzichten anachronismen volkomen hebt weten te vermijden. Maar voor mijn gevoel zijn de heerschende klassen een beetje ‘zwart’ uitgevallen, terwijl de neiging om de religieuze kant van de zaak te bagatelliseeren (religie als een wapen in de hand van de heerschers om de onderdrukten eronder te houden) hier en daar onmiskenbaar is. Maar waarschijnlijk (of wel zeker!) heb jij evenveel recht om de historie te arrangeeren (door de Babylonische astraalmythologie eenigszins te effaceeren ten gunste van het sociaal-politieke aspect) als ik in Aktaion , waar ik me vrijwel uitsluitend bezighoud met ‘religieuze’ problemen en het ‘volk’ naar de verdommenis laat loopen! Maar als lezer stel ik nu eenmaal meer belang in de astraalmythologie dan in de sociale strijd (vooral in die tijd); vandaar mijn, ik herhaal: zuiver subjectieve reactie. Daarbij ben ik mij natuurlijk van het verkeerde bewust de heele Babyl. geschiedenis nu maar ‘restlos’ in mythologie te laten opgaan. Waarschijnlijk waren er toen al, met een iets andere accentverdeeling, dezelfde problemen aan de orde als tegenwoordig; en ik geloof inderdaad, dat het volkomen toelaatbaar is zelfs in die tijd persoonlijkheden te laten optreden die de ‘mythen’ bijna door hebben (zooals je onderwijzersfiguur, die ik niet alleen als hachelijk experiment, maar ook menschelijk zeer geslaagd vind, en alleen daarmee al is het heele boek gered), - kortom, ‘rationalisten’, zooals men die in alle tijden, zelfs in de duisterste middeleeuwen, heeft gehad. Aangezien de ‘priesters’ in hoofdzaak voor de historische documentatie zorgden, is ons totaalbeeld van een dgl. periode volkomen verwrongen. Maar dit beteekent niet, dat de priesters nu ook uitsluitend ‘vervalschers’ waren. Trouwens, dit zeer Nietzscheaansche denkbeeld - waar ik overigens altijd veel voor gevoeld heb! - zul jij toch ook wel niet zonder voorbehoud willen onderschrijven. Bovendien heeft dit alles dan nog niets te maken met de waarde van de mythische idee, die eraan ten grondslag ligt, en waar al die menschen, priesters zoowel als opstandigen, zonder uitzondering in geloofd moeten hebben. Ik maak mij sterk, dat zelfs voor de meest rationalistische Babyloniër het kardinale belang van de astrale symboliek zelfs dat van de rechtvaardigheidsidee (waarvan hij, lang voor het Christendom, hoogstens een schimmig ‘gevoel’ kon hebben) overtrof. Maar, zooals gezegd, zelfs als rationalist-onder-voorbehoud heeft hij natuurlijk volslagen recht op een behandeling zooals jij hem ten deel hebt doen vallen. Op het oogenblik lees ik een boek over Thibet van Alexandra David-Neel, mij toevallig in huis gebracht. In een dergelijk land, met een theocratie van je welste, en een ‘bijgeloof’, zoo onthutsend, dat men het nauwelijks nog zoo noemen kan, is een ‘sociale strijd’ (anders dan in de vorm van botsende belangen in politieke machtsgroepeeringen) eenvoudig ondenkbaar; en ik had even de indruk, dat dit ook voor het oude Babylon zou kunnen gelden. Maar waarschijnlijk is deze zienswijze toch weer te simplistisch. Ik mag je boek zeker nog wel

[p. 82]

even houden? Misschien kom ik er dan nog eens op terug; het bovenstaande is een zeer globale indruk, met alle beperkingen van dien ...

Dat boek over Thibet is overigens de moeite waard. Stel je voor: een Fransche boeddhiste, tevens wetenschappelijk volledig ‘bij’, - spreekt en schrijft o.a. alle Thibetaansche dialecten, - gaat in 1911 naar 't ‘verboden’ land en leeft er 11 jaar als een soort vrouwelijke lama. Spreekt alle lama's en wonderdoeners, die zij de moeite waard acht, oefent zich zelf zoo nu en dan ook in occulte kunstjes, en legt van alles een nauwkeurig en objectief verslag af. Nog veel merkwaardiger is, dat ook de lama's zelf van een niet geringe critische zin blijk geven en zich bij bepaalde verschijnselen afvragen of het een werkelijk ‘bovennatuurlijke’ verschijning is, of een ‘materialisatie’, of een ‘hallucinatie’. Daarnaast dan natuurlijk het ruwe bijgeloof van de massa; de lama's, die kunnen denken, vormen zelfs onder hun gelijken maar een klein bovenlaagje. Voor zoover ik dat kan nagaan, is een en ander wetenschappelijk vrij betrouwbaar; de occulte phenomenen, die beschreven worden (en veel zijn het er niet eens) gaan vrijwel nergens de perken te buiten van wat hier in Europa op dat gebied al is onderzocht (teleplastiek, etc.). Bij deze Boeddhisten krijgt een en ander natuurlijk een totaal andere beteekenis dan bij ons, maar dat is weer ‘subjectief’, zelfs ‘subjectief’ in die zin, dat het (echte, of zuivere) Boeddhisme deze kunstjes eigenlijk verbiedt. Vermakelijk is dan ook, dat de dame haar eigen gelouterd Boeddhisme veiligheidshalve telkens moet aanpassen aan de ‘lagere’ uitingen van het Lama-Boeddhisme, terwijl de lama's van hun kant in het begin erg op haar neerzien en haar nog van alles meenen te kunnen leeren, omdat ze ‘maar’ een blanke is.

Schrijf je nog eens? En houd je goed! In de toestand komt inderdaad wat meer teekening.

Hart. gr. ook van Ans,

van je
Simon.

prepostterug  begin  verder