Doorn 19-11-'43
Beste Theun,
Voor ik je laatste brief beantwoord, zou ik een afspraak willen maken. Mijn lezingen zijn klaar, en over een dag of 10 is ook het overtikken achter de rug; als je dan komt, kun je ze meteen meenemen. Ik had dan wel graag, dat je ze vlug las, maar dat zou je misschien ook wel uit je zelf doen, gezien de interessante ‘stof’. Kom dan in de 2e helft van de week ná de volgende, b.v. Donderdag of Vrijdag (1 of 2 Dec. dus). Als je dan ‘Madonna’ meeneemt, spaart je dat een pakje uit. Laat dus nog even weten, tegen die tijd.
In onze controverse is al wat meer teekening gekomen, door je brief. Ik zal niet alle punten ‘behandelen’, ook al omdat ik het er vaak grootendeels mee eens ben. Mijn standpunt schreef ik je reeds: sociale en individueele beschouwingswijze staan naast elkaar, hebben evenveel recht van bestaan, en hoeven elkaar niet in de wielen te rijden. Dit neemt niet weg, dat er bepaalde onderwerpen zijn, die zich beter leenen tot de eene beschouwingswijze dan tot de andere, zoo naar mijn meening de poëzie beter tot de ‘individueele’ (aesthetische, psychologische) dan tot de ‘sociale’. Voor mij begint de zaak problematisch en ook interessant te worden waar men de waarde van poëzie bepalen wil. Ik beweer niet, dat dit met de ‘individueele’ methode erg gemakkelijk is, en dat men daarbij niet het gevaar

foto: Ad Windig
Theun de Vries met vader en zoon in 1944
loopt inderdaad in ‘abstracties’ terecht te komen (het begrip ‘goede poëzie’ is b.v. zulk een abstractie, maar dan toch een abstractie die wij iedere dag gebruiken en waar wij niet buiten kunnen!). Maar ik zie werkelijk geen kans om sociaal, of cultuurhistorisch, te bepalen of aan te geven, of te verklaren, waarom b.v. de poëzie van Nijhoff beter is dan die van Van Geuns, en die van de ‘individualistische’ dichter Roland Holst beter dan die van de ‘socialistische’ dichter Van Collem (of wat mij betreft die van zijn tante Henriëtte). Trouwens over de laatsten zou in zekere zin nog te twisten zijn, maar over het verschil ts. Nijhoff en Van Geuns is iedereen het eens! De kwestie ‘talent’ dus, - maar hoe wil je dat historisch of sociaal verklaren? Jouw zinsnede ‘via het temperament van een artistieke tijdgenoot’ maakt zich van de moeilijkheden een beetje erg vlug af: wat is dit temperament, wat is dit artistieke? Dat zijn tenslotte de dingen waar het om gaat in de poëzie, wat poëzie van proza onderscheidt. Wanneer jij de balladen van Villon met de Fransche monarchie in verband brengt, - wat natuurlijk volkomen juist is, - interesseer ik van mijn kant mij veel meer voor de vraag waarom Villon beroemd is geworden en ons nog iets te zeggen heeft, en tientallen tijdgenooten van Villon niet (die even goed ‘artistieke’ exponenten van de Fr. monarchie waren). Bij Donne is dit trouwens nog duidelijker. Het gaat hier niet om de vraag: waarom schreef Donne in dat en dat taaleigen, en behandelde hij die en die thema's, maar: waarom deed hij het zóo verdomd goed, dat hij tegenwoordig nog een ‘moderne’ indruk kan maken! (als eenige uit die tijd).
Wat de ‘harmonische samenleving’ betreft, en de invloed daarvan op de poëzie, zou ik aan ons debat in zoover een iets andere wending willen geven, dat ik persoonlijk niet in het bestaan van zulk een samenleving geloof, althans niet in die mate, dat het dichterlijk talent erdoor gevaar loopt, bij gebrek aan ‘spanningen’. Ik geloof veeleer, dat de tegenstellingen en onvolmaaktheden, in steeds nieuwe vormen, steeds in voldoende mate aanwezig zullen zijn om kunstenaars te kweeken. Wat dit betreft zijn we het dus vrijwel eens. Alleen zeggen we het op een andere manier, en wellicht zul jij niet zoo dadelijk de stelling willen onderschrijven, dat de tegenstellingen, die nu in de klassenstrijd tot uiting komen, precies zoo zullen blijven bestaan en zich alleen op een andere manier zullen laten gelden; algemeen gesproken: het conflict tusschen eenling en collectiviteit, tusschen individueele machtswil en maatschappelijke binding. Dit zal m.i. altijd blijven, omdat de mensch een tamelijk hoogmoedig wezen is, dat zich niet door anderen de wet wil laten stellen. Dichters die protesteeren zullen er altijd zijn; als ze niet tegen de klassetegenstellingen protesteeren, doen ze het tegen die verdomd vervelende gelijkheid! Bovendien zijn daar nog de ‘eeuwige’ thema's liefde, dood, vergankelijkheid, die in alle maatschappijen hetzelfde blijven (en die voor 90% de dichtbundels vullen!). De conflicten, die daar uit voortkomen zijn sociaal nooit weg te werken. (Dit staat dan weer in verband met de ‘tragische schoonheid’, die jij even relatief vindt en historisch bepaald als de Gr.[iekse] noodlotstragedie; zij is dat echter hoogstens in haar speciale uitingsvormen, of in de speciale, tijdgebonden begrippen, die er zich mee verbinden, b.v. de ‘Satan’ bij Baudelaire, en dgl. mythologische constructies; die veranderen natuurlijk).

Brief van 19-11-'43, laatste bladzijde
Je beschouwingen over 't historisch-materialisme en 't ‘realisme’, die ik grootendeels wel onderschrijven kan, zijn voor mij in zooverre onvolledig, dat je onder de ‘realiteit’ ook niet de psychische realiteit rekent. In dat geval zou het dualisme bij Bloem (‘realiteit contra droom’) min of meer komen te vervallen. Want hoe zit dit: de nieuwe mensch van de toekomst droomt toch nog? (in verschillende beteekenissen). Hier hoort ook 't ‘surrealisme’ bij, dat je m.i. ten onrechte m.d. kap. maatsch. vorm in verband brengt. De Fr. surrealisten waren juist uiterst radicaal!! Een andere opmerking: erfelijkheid vind ik geen maatschappelijke oorzaak, maar een biologische; zij heeft alleen met de maatschappelijke oorzaken gemeen, dat zij ‘algemeen’ en niet ‘individueel’ is. Dit is trouwens van weinig belang, maar ik vond 't aardig als symptoom van je neiging om als sociaal denker alles ‘naar je toe te halen’! (Ik druk me maar wat kras uit).
Ik kan mij voorstellen, dat de sexueele opvoeding beter geregeld wordt; ik zou dit toejuichen; en er zou een portie ‘conflicten’ mee uit de wereld verdwijnen, ongetwijfeld. Maar er bleven toch nog genoeg erotische conflicten over, en m.i. juist die welke voor de kunstenaar 't belangrijkst zijn (‘ongelukkige liefde’ b.v.) Mijn heele ‘kunstenaarschap’ gaat b.v. regelrecht terug op de Ina Dammanervaring, d.i. de Beatrice-ervaring, d.i. de Orpheus-ervaring, - d.w.z. een ervaring die aan geen enkele maatschappijvorm gebonden is. Er zullen steeds jongens op meisjes verliefd worden, die niets van hen willen weten; en voor een zeker aantal van hen is dit conflict dan wel weg te werken door een bepaald soort (algemeene) opvoeding; maar nooit voor allen tegelijk, omdat de psychologische typen te ver uiteenloopen. In de ‘kapitalistische’ samenleving is het de dichter A., die op die wijze ontstaat; in een socialistische samenleving zal van A. niets vernomen worden, maar gaat B. dichten, op grond van hetzelfde conflict. En dan zullen, achteraf, A. en B. toch meer met elkaar gemeen blijken te hebben, dan de dichters A en A1 (beiden uit de kap. samenleving) en de dichters B. en B1 (beiden uit de social. samenleving); waarbij ik veronderstel, dat A1 en B1 dichters zijn, die niet door de ervaring der ‘ongelukkige liefde’, maar b.v. door de doodservaring dichter zijn geworden.
Ik merk, dat ik met formules begin; dus wordt het tijd om af te breken. Ik ben erg benieuwd naar je reacties op mijn lezingen, waarin vaak soortgelijke problemen behandeld worden. Vandaag ben ik begonnen met 't boek van Naber over Calvinisten en Libertijnen, dat jij achterin je Oldenbarneveld noemt. Voor mijn roman over de 30-j. oorlog, die grootendeels naar de 80-j. oorlog zal worden overgeheveld en waarschijnlijk nogal lang zal worden. Een soort 5e Zegel, maar dan in de ik-vorm en minder zwaar en gedegen (naar ik hoop).
Tot ziens dus, en houd je maar goed!
Hart. gr., ook van Ans, van je
Simon.